Paragraaf Weerstandsvermogen en Risicobeheersing

1. Inleiding

De Paragraaf weerstandsvermogen en Risicobeheersing gaat in op de vraag in welke mate de financiële positie van de provincie toereikend is om de financiële gevolgen van risico’s op te kunnen vangen.

Hiertoe bevat de paragraaf een overzicht van relevante risico’s (inclusief beheersmaatregelen) en van middelen die beschikbaar zijn en/of gemaakt kunnen worden om financiële gevolgen zo nodig op te kunnen vangen (weerstandscapaciteit / -vermogen). De paragraaf wordt tweemaal per jaar geactualiseerd (namelijk bij begroting en jaarrekening).

De paragraaf is als volgt opgebouwd:

  • Beleidskader
  • Financiële kengetallen: risico’s, weerstandscapaciteit en weerstandsvermogen
  • Overzicht van relevante risico’s

2. Beleidskader

Het voor de paragraaf relevante beleidskader is vastgelegd in de op 30 mei 2012 door PS vastgestelde beleidsnota weerstandsvermogen en risicomanagement. Deze nota is een nadere uitwerking van regels van het Rijk, die zijn vastgelegd in het Besluit begroten en verantwoorden (BBV).

Kern van het beleid is dat:

  • tweemaal per jaar risico’s worden geïnventariseerd en gekwantificeerd (dit is inclusief de beheersmaatregelen die getroffen worden om de financiële gevolgen zoveel mogelijk te beperken);
  • als een risico zich voordoet er dan voordat een beroep wordt gedaan op de algemene middelen eerst wordt nagegaan in welke mate de financiële gevolgen kunnen worden opgelost binnen het betreffende begrotingsdoel / -programma; hierbij kan het zowel gaan om het zoeken van dekking als om het maken van beleidsmatige keuzes (bijvoorbeeld het bijstellen van het ambitieniveau).

Conform het in 2013 gewijzigde BBV dient de paragraaf met ingang van het begrotingsjaar 2014 te worden aangeduid als de Paragraaf Weerstandsvermogen en Risicobeheersing. Tot en met 2013 werd de paragraaf nog aangeduid als de Paragraaf Weerstandsvermogen. Met deze verandering wil het Rijk de aandacht vestigen op het belang van een adequate risicobeheersing (zodat de paragraaf ook voldoende inzicht geeft in de niet-financiële maatregelen die getroffen worden om de kans van optreden van geïdentificeerde risico’s te beperken). Zuid-Holland heeft deze verandering al eerder doorgevoerd; conform de Beleidsnota weerstandsvermogen en Risicomanagement gaat de Paragraaf weerstandsvermogen (en Risicobeheersing) in op de beheersmaatregelen die getroffen worden om de kans van optreden van geïdentificeerde risico’s te beperken.

3. Financiële kengetallen: weerstandscapaciteit en weerstandsvermogen

weerstandscapaciteit

Hieronder wordt ingegaan op de weerstandscapaciteit, dat wil zeggen de middelen die de provincie beschikbaar heeft c.q. kan maken om de financiële gevolgen van risico’s op te kunnen vangen. Conform de beleidsnota weerstandsvermogen en risicomanagement bestaat de weerstandscapaciteit uit de volgende onderdelen:

  • Incidentele weerstandscapaciteit: deze is bedoeld voor het opvangen van de incidentele, financiële gevolgen van risico’s en bestaat uit de algemene reserves en de programmareserves (voor zover hier geen juridische verplichtingen op rusten);[13] De algemene reserve heeft een bufferfunctie en dient voor het opvangen van onvoorziene gebeurtenissen altijd een minimale omvang te hebben van € 30,0 mln;
  • Structurele weerstandscapaciteit: deze is bedoeld voor het opvangen van de structurele, financiële gevolgen van risico’s en bestaat uit de post onvoorzien, de financiële ruimte en de onbenutte belastingcapaciteit (namelijk het verschil tussen de feitelijke, geraamde inkomsten uit de opcenten MRB en de inkomsten als het wettelijk maximaal toegestane opcententarief zou worden gehanteerd). Alvorens wordt besloten tot een verhoging van het opcententarief, dienen er eerst bezuinigingsvoorstellen te worden gedaan.

(bedragen x € 1 mln)

2014

2015

2016

2017

Gemiddeld

Totaal

Incidenteel:

           

Algemene reserve

50,8

50,8

50,8

50,8

   

Programmareserves

178,8

160,2

153,7

158,1

   

Totaal incidenteel (per jaar)11

229,6

211,0

204,5

208,9

213,5

 

Structureel:

           

Post onvoorzien (s)

0,5

0,5

0,5

0,5

   

Financiële ruimte (s)

0,0

0,1

18,1

32,8

   

Onbenutte belastingcapaciteit

47,0

52,0

58,0

63,0

   

Totaal structureel (per jaar)

47,5

52,6

76,6

96,3

 

273,0

weerstandsvermogen

Het weerstandsvermogen wordt berekend door:

  • De beschikbare weerstandscapaciteit te delen door de financiële omvang van geïdentificeerde risico’s (hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen de structurele en incidentele component);
  • Uit deze berekening volgt een kengetal waarmee tot uitdrukking wordt gebracht in welke mate Zuid-Holland in staat is om de financiële gevolgen van risico’s op te vangen;
  • Zuid-Holland streeft hierbij naar een weerstandsvermogen van minimaal ‘twee’ (dat wil zeggen dat voor elke euro aan geïdentificeerde risico’s twee euro aan weerstandscapaciteit beschikbaar is; reden hiervoor is dat sprake is van diverse risico’s waarvan de financiële effecten, vooralsnog, niet kunnen worden ingeschat; hierbij valt te denken aan de effecten van de wet HOF en doorlevering gronden TBO’s).

Het weerstandsvermogen voor risico’s met incidentele financiële gevolgen bedraagt een factor ‘6,1’, dit is ruim boven de streefwaarde, waarbij wel dient te worden aangetekend dat als de programmareserves ingezet moet worden als weerstandscapaciteit, dit mogelijkerwijs leidt tot het herzien van eerder gemaakte bestuurlijke afspraken. Het weerstandsvermogen is berekend door het gemiddelde van de beschikbaar te maken incidentele weerstandscapaciteit (€ 213,5 mln) te delen door de financiële omvang van risico’s met incidentele, financiële gevolgen (€ 35,1 mln). Hierbij is uitgegaan van het cumulatieve effect over een periode van vier jaar, omdat sommige van deze risico’s zich meerdere jaren achtereen voor zullen kunnen doen.

Het weerstandsvermogen ten aanzien van de risico’s met structurele, financiële gevolgen bedraagt een factor ‘4,4’. Dit is ruim boven de streefwaarde waarbij dient te worden aangetekend dat in de begroting nog geen rekening gehouden kan worden met mogelijke structurele ontwikkelingen die zich na 2017 voor zullen doen.

Het weerstandsvermogen is berekend door de totale in de periode 2014-2017 beschikbaar te maken weerstandscapaciteit (€ 273,0 mln) te delen door de financiële omvang van de risico’s met structurele, financiële gevolgen, waarbij eveneens uit is gegaan van het cumulatieve effect over een periode van vier jaar (€ 61,9 mln).

4. Overzicht van risico’s

Hieronder is een geactualiseerd overzicht opgenomen van risico’s. De risico’s met een maximale schade van gelijk aan of meer dan € 1,0 mln zijn opgenomen in de begroting; de risico’s met een maximale schade tussen de € 0,1 en € 1,0 mln zijn opgenomen in de Productenraming; de risico’s met een maximale omvang van

€ 0,1 mln worden niet vermeld.

Actuele ontwikkelingen ten opzichte van de vorige actualisatie (bij Jaarrekening 2012) zijn:

  • Het risico met betrekking tot het Provinciefonds is geactualiseerd op basis van de meest recent beschikbare informatie; indien daar aanleiding toe is wordt het risico aangepast naar aanleiding van het verschijnen van de Miljoenennota / Septembercirculaire;
  • Het risico met betrekking tot de bestuursovereenkomst ILG is komen te vervallen in verband met de beëindiging van dit programma (eind 2012); met de beëindiging van het programma zijn zowel diverse verantwoordelijkheden als budgetten naar de provincies gedecentraliseerd. De risico’s die hiermee samenhangen worden met ingang van deze begroting onder de noemer ‘financiële risico’s EHS’ opgenomen in de Paragraaf weerstandsvermogen en Risicobeheersing;
  • ‘deelname ROM-Zuidvleugel’ is opgenomen als nieuw risico (naar aanleiding van besluitvorming over deelname aan de ROM-Z; PS hebben op 26 juni 2013 besloten om deel te nemen aan de ROM-Z);
  • ‘Financieel risico uittreding GR Delft-noord’ is komen te vervallen: er zijn afspraken gemaakt over de voorwaarden waaronder Zuid-Holland uittreedt; de financiële afwikkeling heeft betrekking op het betalen van een vergoeding voor beheerslasten en het dekken van kapitaallasten voor een investeringsuitgave; dekking hiervoor wordt gevonden in de voorziening ‘Grondwaterheffing’; er is dus geen sprake van financiële consequenties voor de algemene middelen van de provincie;
  • Het risico ‘schadeclaim verzakken woning’ wordt niet meer vermeld, omdat de claim valt onder de aansprakelijkheidsverzekering (risico was opgenomen in de Productenrealisatie 2012);
  • Het risico ‘indeplaatstreding huisvesting verblijfsgerechtigden’ wordt niet opgenomen vanwege de afgenomen materiële omvang (was opgenomen in de Productenrealisatie 2012).

In onderstaande tabel staan de risico’s genoemd. Hierbij staat aangegeven of sprake is van structurele dan wel incidentele financiële effecten, wat de maximale schade is van het risico, de ingeschatte kans van optreden, de financiële omvang (maximale schade maal kans van optreden), het cumulatieve effect over een periode van vier jaar, de risicotermijn (aantal kwartalen waarbinnen het risico zich voor kan doen) en het begrotingsdoel waarop het risico betrekking heeft. Na de tabel wordt elk risico individueel toegelicht waarbij ook wordt ingegaan op de concrete beheersmaatregelen. De inventarisatie bevat risico’s waarvan de kans van optreden en maximale schade gekwantificeerd zijn, alsmede risico’s waarbij dat (vooralsnog) niet mogelijk is (de zogeheten niet-kwantificeerbare risico’s).

Overzicht van de kwantificeerbare risico’s

 

Incid./ struct.

Max. Schade

(bedragen x € 1 mln)

Kans optreden

Omvang/jaar

(bedragen x € 1 mln)

Cumulatief effect

(bedragen x € 1 mln)

Risicotermijn

(in mnd)

Begrotings-
doel

1.

· algemene ontwikkeling Provinciefonds

· korting bij overschrijding BCF-plafond (met ingang van 2015)

· korting in verband met vermindering ambtsdragers (met ingang van 2015)

· korting naar aanleiding van samengaan provincies (met ingang van 2015)

s

i

s

 

s

20,0

9,0

1,5

 

1,7

 

25-50%

25-50%

50-75%

 

50-75%

7,5

3,4

1,0

 

1,1

30,0

10,2

3,0

 

3,3

4

> 4

> 4

 

> 4

6.1

6.1

6.1

 

6.1

2.

Lagere opbrengsten MRB

s

15,0

25-50%

5,6

22,4

4

6.2

3.

Afvalverwerkende en BRZO / IPPC-bedrijven kunnen niet meer aan vergunningplicht voldoen

i

20,0

0-25%

2,5

10,0

4

2.4

4.

Schadeclaims vergunningverlening voor ontgrondingen

i

10,0

0-25%

1,3

5,2

> 4

2.4

5.

Renterisico

s

2,0

25-50%

0,8

3,2

> 4

6.1

6.

Omgevingsrisico’s vergunningverlening en- handhaving

i

5,0

0-25%

0,6

2,4

4

2.4

7.

Gevolgen waardeontwikkeling grondaandeel Zuidplas

i

17,0

0-25%

2,1

2,1

> 4

5.2

8.

Niet tot uitvoering komende grote infrastructurele projecten

i

14,0

0-25%

1,8

1,8

4

2.2

9.

Deelname risico Ontwikkelingsmaatschappij Nieuw Westland

i

1,4

75-100%

1,2

1,2

4

3.4

10.

De Europese commissie kan subsidiabiliteit uitgaven betwisten

i

8,8

13,5

0-25%

≈ 0

1,1

0,0

1,1

0,0

> 4

> 4

3.4

11.

Garantstelling personenvervoer over water

i

7,3

0-25%

0,9

0,9

> 4

2.3

12.

Volledige honorering subsidieaanvraag Voordelta

i

1,8

0-25%

0,2

0,2

4

3.4

13.

Onvoldoende middelen voor nazorg gesloten stortlocaties

i

15,8

≈ 0

0,0

0,0

> 4

3.3

14.

Meerkosten PMR 750 ha

i

13,8

≈ 0

0,0

0,0

> 4

1.3

15.

Deelname risico ROM-D Capital BV

i

10,0

≈ 0

0,0

0,0

> 4

3.4

16.

Deelname risico ROM Zuidvleugel B.V.

i

10,0

≈ 0

0,0

0,0

> 4

3.4

17.

Geen aflossing gegarandeerde leningen derden

i

5,8

≈ 0

0,0

0,0

> 4

6.1

18.

Financieel risico subsidie RAS

i

1,6

≈ 0

0,0

0,0

4

4.3

19.

Onvoldoende solvabiliteit / liquiditeit Regionale omroepen

i

1,2

≈ 0

0,0

0,0

> 4

4.6

20.

Ontwikkelingen bezuiniging regionale omroepen

i

2,0

≈ 0

0,0

0,0

4

4.4

21.

Boete Rijk i.v.m. EMU-tekort

i

100,0

n.t.b.

n.t.b.

n.t.b.

> 4

6.1

22.

Financiële risico’s ontwikkelopgave EHS

· ontwikkeling

· beheer (na 2018)

 

i

s

 

n.t.b.

2,0

 

≈ 0

0-25%

 

0,0

0,3

 

0,0

0,0

 

>4

> 4

1.4

23.

Geen of verminderde afdracht uit gebiedsontwikkeling Zuidplaspolder ten behoeve van hoofdplanstructuur

i

25,0

n.t.b.

n.t.b.

n.t.b.

> 4

2.2/ 1.4

24.

Herinrichting Meeslouwerplas

i

7,2

n.t.b.

n.t.b.

n.t.b.

4

1.2

25.

Derde Merwedehaven

i

n.b.

0-25%

n.b.

n.b.

>4

2.4

26.

Doorlevering gronden TBO’s

i

n.t.b.

n.t.b.

n.t.b.

n.t.b.

> 4

1.3

27.

Bezwijken bijzondere constructies / calamiteiten

i

n.t.b

n.t.b.

n.t.b.

n.t.b.

4

2.1

28.

 

Inlenersaansprakelijkheidsrisico

i

n.b.

0-25%

n.b.

n.b.

4

1-5

 

Totaaltelling incidenteel

     

15,2

35,1

   

Totaaltelling structureel

     

16,0

61,9

   

1.

Lagere uitkering Provinciefonds

Omschrijving

Risico is dat de inkomsten uit het Provinciefonds lager uitvallen dan waar in de begroting rekening mee is gehouden. Hierbij kan het gaan om:

· Een tegenvallend accres: de ontwikkeling van het Provinciefonds is via het zogeheten accres gekoppeld aan de ontwikkeling van de rijksuitgaven; er is sprake van een negatieve ontwikkeling van het accres als het Rijk bezuinigd op de uitgaven en/of uitgaven in de tijd naar achteren schuift.

· Het Rijk kan (als onderdeel van een bezuinigingsoperatie) een eenzijdige korting opleggen op het Provinciefonds.

· Bij re- en decentralisaties kan er een verschil ontstaan tussen de middelen die aan het Provinciefonds worden onttrokken / toegevoegd en de feitelijke uitgaven.

· Het Provinciefonds wordt onder provincies verdeeld via objectieve maatstaven (zoals aantal inwoners, aantal woonruimten); door tussentijdse ontwikkelingen in deze maatstaven kunnen er tussentijds afwijkingen ontstaan.

· Nu het BTW-Compensatiefonds is geplafonneerd bestaat er met ingang van 2015 de mogelijkheid dat Zuid-Holland bij moet dragen aan een korting c.q. toevoeging aan het Provinciefonds in verband met een over- of onderschrijding van het plafond.

Impact

De schade van risico’s kunnen sterk variëren van pakweg € 1,0 á 1,5 mln (een beperkte afname van het accres) tot wel meer dan € 20,0 mln structureel (bijvoorbeeld het mogelijke effect van een eenzijdige korting bovenop nu bekende maatregelen). Het verdere verloop van de crisis en de wijze waarop het kabinet hierop in de toekomst zal reageren is bepalend voor de kans van optreden. Met andere woorden; het is ook mogelijk dat (op termijn) het Provinciefonds juist weer aantrekt. Het effect van de plafonnering van het BTW-Compensatiefonds is sterk afhankelijk van de ontwikkeling van het declaratiegedrag van decentrale overheden. Op basis van historische cijfers wordt de omvang per jaar ingeschat op circa € 3,5 mln. Hier is echter ook een positieve ontwikkeling mogelijk.

Maatregelen

· Inkomsten uit het Provinciefonds worden behoedzaam geraamd; voor het opvangen van reguliere ontwikkelingen in verdeelmaatstaven / taakmutaties wordt er een

behoedzaam­heids­marge gehanteerd van circa 1%, voorheen hanteerde het Rijk zelf een behoedzaamheidsmarge, maar deze is enkele jaren geleden in overleg met IPO en VNG komen te vervallen.

· Vanwege de aanhoudende onzekerheid over het verdere verloop van de economische crisis wordt er meerjarig in afwijking van de Meicirculaire 2013 uitgegaan van een neutrale ontwikkeling van het accres; deze beheersmaatregel heeft betrekking op effecten van (onvoorziene) ontwikkelingen in het accres.

· Ontwikkelingen in het Provinciefonds worden op de voet gevolgd; in IPO-verband is Zuid-Holland betrokken bij verdeelvraagstukken en re- / decentralisaties.

· Actuele ontwikkelingen worden op de voet gevolgd en verwerkt in de bestuurlijke planning & control producten (zoals begroting, jaarrekening), pro-activiteit is hierbij van belang om te voorkomen dat financiële effecten cumuleren.

· taakmutaties worden indien mogelijk budgetneutraal verwerkt in de begroting.

Status

In deze begroting wordt uitgegaan van een neutrale ontwikkeling van het accres. In de Septembercirculaire is aangegeven dat de komende jaren een positieve ontwikkeling wordt verwacht. Het effect van de rijksbezuinigingen is relatief beperkt voor provincies gebleven doordat deze sterk gekoppeld zijn aan bijvoorbeeld bezuinigingen in de zorg en sociale zekerheid en lastenverzwaringen voor burgers en daarmee niet van invloed op het Provinciefonds.

De mogelijke voordelige ontwikkeling van het accres zal meerjarig grotendeels nodig zijn om de financiële effecten op het Provinciefonds van een tweetal wetgevingstrajecten op te kunnen vangen. Het gaat hierbij om de vermindering van het aantal politieke ambtsdragers (structureel circa € 1,5 mln met ingang van 2015) en een korting in verband met het samengaan van provincies (€ 0,8 mln in 2015 oplopend naar € 2,5 mln in 2017 en uiteindelijk circa € 10,0 mln structureel). Oorspronkelijk was deze laatste korting gekoppeld aan het feitelijk samengaan van provincies, maar in het wetsvoorstel voor het samengaan van Flevoland, Utrecht en Noord-Holland staat aangegeven dat de korting hiervan wordt losgekoppeld en (ongeacht het verdere samengaan van provincies) zal worden verdeeld over alle provincies.

2.

Lagere opbrengsten Motorrijtuigenbelasting (MRB)

Omschrijving

Risico is dat de inkomsten uit de opcenten op de MRB afwijken van datgene wat is opgenomen in de begroting. Afwijkingen kunnen het gevolg zijn van:

a. Ontwikkelingen die direct van invloed zijn op de inkomsten uit de MRB (aantal auto’s, gemiddeld gewicht, aantal energiezuinige auto’s). Momenteel neemt het aantal auto’s (in tegenstelling tot eerdere jaren) af en de verkoop van nieuwe auto’s is in vergelijking met 2012 sterk gedaald.

b. Ontwikkelingen in wet- en regelgeving (zoals het vrijstellingsregime voor energiezuinige auto’s). Het (gedeeltelijke) vrijstellingsregime voor energiezuinige auto’s komt (als onderdeel van het herziene Belastingplan door het Rijk) met ingang van 1 januari 2014 te vervallen, met uitzondering van auto’s met een uitstoot tot 50 gr/km. Voor deze laatste categorie blijft de vrijstelling nog bestaan tot en met 2015. Dit betreft echter een zeer beperkte categorie auto’s.

Impact

a. Uitgegaan wordt van een impact (mogelijke afwijking) van € 15,0 mln. (ca 5% van totale omvang van de inkomsten uit de opcenten). Indien de slechte economische situatie nog een paar jaar aanhoudt, is de verwachting dat autobezitters bij vervanging voor kleinere, zuinigere modellen zullen kiezen en 2e auto’s eerder van de hand zullen doen.

b. Eerder was nog niet duidelijk of de extra inkomsten als gevolg van het vervallen van het (gedeeltelijke) vrijstellingsregime geheel ten goede zouden komen aan de provincies of ook deels aan het Rijk. Vooralsnog zijn er geen signalen dat de meeropbrengst niet ten goede komt aan de provincie. Voor het eerste jaar is door de belastingdienst wel de kanttekening geplaatst dat niet alle auto’s automatisch per 1 januari in de heffing worden betrokken. Afhankelijk van de datum van het kenteken kan er een vertraging van enkele maanden hierin optreden.

Maatregelen

a. Bij het opstellen van de ramingen voor de begroting wordt rekening gehouden met een behoedzaamheidsmarge van 1% om onvoorziene ontwikkelingen op te kunnen vangen.

b. Vanuit behoedzaamheidsoverwegingen is in de meerjarenbegroting 2014-2017 rekening gehouden met 85% van de meeropbrengst voor 2014.

Status

Er zijn geen signalen dat de extra inkomsten als gevolg van het opheffen van de vrijstelling niet volledig ten gunste zullen komen van de provincie.

3.

Afval- en BRZO / IPPC-bedrijven kunnen niet meer aan vergunningplicht voldoen

Omschrijving

De provincie is onder meer bevoegd gezag voor de vergunningverlening aan afvalver­werkende en zogeheten BRZO- en IPPC-bedrijven en is in die hoedanigheid maat­schappelijk verantwoordelijk voor de gevolgschade als dergelijke bedrijven niet meer aan de vergunningsplicht kunnen voldoen.[14] Dit kan zich met name voordoen ingeval van een faillissement en/of calamiteiten (zoals brand). Bij gevolgschade kan gedacht worden aan de kosten van verwijdering van afvalstoffen of sanering.

Impact

Op basis van het aantal potentiële bedrijven waar het om gaat wordt de maximale schade ingeschat op € 20,0 mln (circa € 0,1 mln per bedrijf).

Maatregelen

Met ingang van 2013 vindt het toezicht op betreffende bedrijven plaats vanuit de omgevingsdiensten.

· Door goed toezicht te houden en scherp te handhaven op naleving van de voorschriften voor omvang en soorten afval, wordt het risico beperkt tot de vergunde afvalstoffen. Daarnaast wordt bij bedrijven die hoeveelheden afval opslaan met een negatieve waarde van meer dan € 1,0 mln jaarlijks de financiële positie beoordeeld op basis van de jaarrekeningen. Indien de financiële positie als ‘zwak’ wordt beoordeeld, wordt het toezicht op de omvang van de opgeslagen afvalstoffen geïntensiveerd.

· De BRZO / IPPC-bedrijven worden periodiek gecontroleerd op de wijze van opslag van de (gevaarlijke) stoffen. Verder wordt in het stadium van vergunningverlening extra gelet op de dekkingsgraad van de milieuaansprakelijkheidsverzekering. Indien de provincie (buiten haar schuld) opdraait voor de (verwijderings)kosten kan (deels) een beroep worden gedaan op de provinciale aansprakelijkheidsverzekering.

Status

Het betreft hier een doorlopend risico. Omdat de kans van optreden nog steeds zeer klein wordt ingeschat, wordt de omvang van het risico gesteld op een maximum van € 2,5 mln in een jaar.

4.

Schadeclaims vergunningverlening voor ontgrondingen

Omschrijving

In de Ontgrondingenwet is een regeling voor nadeelcompensatie opgenomen. Nadeelcompen­satie houdt in dat de overheid aan belanghebbenden de schade vergoedt die zij ondervinden van een op zichzelf rechtmatig overheidsbesluit. De regeling in de Ontgrondingenwet houdt in dat de provincie aan de aanvrager van de vergunning of aan andere belanghebbenden de schade moet vergoeden die deze lijden als gevolg van een ontgrondingvergunning, indien deze schade redelijkerwijs niet voor hun rekening hoort te blijven. Ook buiten het geval van nadeelcompen­satie, is het mogelijk dat de provincie wordt geconfronteerd met een claim van schade die is ontstaan als gevolg van een vergunde ontgronding. In het bijzonder bij grote actuele ontgrondingen, zoals zandwinningen, is het risico op schade aan de omgeving reëel aanwezig.

Impact

Per geval kan de schadeclaim hoog zijn. Dit wordt beïnvloed door de aard en de omvang van de ontgronding en het karakter van de omgeving. Voor een grote zandwinning moet de omvang van de mogelijk te vergoeden schade worden gesteld op circa € 10,0 mln.

Maatregelen

De vergunningverlening is sinds 1 januari 2013 ondergebracht bij Omgevingsdienst Haaglanden; toezicht en handhaving gebeuren door de omgevingsdienst waarbinnen de desbetreffende ontgronding plaatsvindt. Beperking van dit risico door de provincie vergt adequaat toezicht op een zorgvuldige uitvoering van deze taken door de omgevingsdiensten.

Status

Het betreft hier een doorlopend risico. Concrete casus die nu speelt is een aankondiging van een civiele claim van € 10,0 mln á € 20,0 mln door de zandwinner van de Zevenhuizerplas.

In januari 2011 is de vergunning voor de ontgronding aangepast door Zuid-Holland in verband met oevervallen. Gevolg van deze wijziging is dat de totale hoeveelheid te winnen zand minder wordt. De vergunninghouder heeft beroep aangetekend en heeft de provincie aansprakelijk gesteld voor derving van inkomsten (€ 1,95). De Raad van State heeft geoordeeld dat het besluit van de provincie op twee punten na rechtmatig is geweest. De vergunninghouder heeft inmiddels een beroep gedaan op nadeelcompensatie (€ 0,2 mln). Op 16 juli 2013 hebben GS besloten om (op voorstel van de bezwarencommissie) het bezwaar ongegrond te verklaren. Het is daarnaast ook nog mogelijk dat de vergunning­houder op basis van de ontgrondingenwet een verzoek tot schadevergoeding indient bij GS, dan wel een civielrechtelijke claim neerlegt.

5.

Renterisico

Omschrijving

De provincie trekt langlopende leningen aan om in de eigen financieringsbehoefte te voorzien. De financieringsbehoefte zal de komende jaren naar verwachting toenemen, vanwege de afloop van bestaande leningen, de omvang van de voorgenomen investeringen (met name op het gebied van infrastructuur) en de geraamde benutting van reserves en voorzieningen (waardoor de eigen financieringsmiddelen worden beperkt).

De jaarlijkse kosten van de financieringsbehoefte worden bepaald door de omvang van de aangetrokken leningen en het rentepercentage. De rente is nu historisch laag; dit maakt dat Zuid-Holland juist op dit moment gevoelig is voor mogelijke rentestijgingen.

Impact

De financieringsbehoefte van Zuid-Holland wordt gedekt door langlopende leningen met een lineair aflossingsverloop. Bij de berekening van de impact wordt rekening gehouden met een stijging van de rente van 1% ten opzichte van het huidige renteomslagpercentage (zoals dat nu gehanteerd wordt in de meerjarenbegroting). Rekening houdend met het aflossingsver­loop van de lopende leningen en de verwachte financieringsbehoefte, bedraagt de maximale schade

€ 1,0 mln á € 2,0 mln structureel per jaar (over een periode van vier jaar kan dit dus oplopen naar een bedrag van € 4,0 mln á € 8,0 mln). Gezien de getroffen maatregelen wordt de kans van optreden ingeschat op beperkt tot gemiddeld. Ook na 2017 zal sprake zijn van een financieringsbehoefte (met name als gevolg van investeringen in infrastructuur); ook op de langere termijn kan het risico van rentestijgingen dus impact hebben.

Maatregelen

Via het renteomslagpercentage worden de rentelasten toegerekend aan de programma’s; dit percentage wordt berekend op basis van de uitgangspunten van de door PS vastgestelde beleidsnota kostprijs- en renteberekening (onder andere de ontwikkeling van de marktrente wordt hierbij meegenomen). Periodiek wordt de financieringsbehoefte meerjarig gemonitord; periodiek wordt beoordeeld of incidenteel dan wel structureel tot afdekking van het renterisico dient te worden overgegaan.

Status

Zie omschrijving.

6.

Omgevingsrisico’s vergunningverlening en handhaving

Omschrijving

Vergunningverlening en handhaving kennen altijd omgevingsrisico’s. Het is een politiek gevoelig beleidsveld. De betrokkenheid van burgers en externe partijen en daar­mee de beïnvloeding van externen bij de uitvoering van de werkzaamheden, is groot. In het kader van de besluitvorming lopen de omgevingsdiensten dan wel de provincie dan ook altijd juridische risico’s. Tegen menig besluit wordt bezwaar dan wel beroep aangetekend. Verder kunnen claims als gevolg van economische, milieu- of gezondheidsschade leiden tot extra kosten voor de provincie. Het nemen van bestuurlijk gecalculeerde risico’s hoort een onderdeel te zijn van vergunning­verlening en een actief handhavingsbeleid.

Impact

Het terugbetalen van griffierechten en eventuele proceskosten, evenals schadeclaims, is een financieel risico. Per geval kan de schadeclaim hoog zijn (enkele miljoenen euro’s). Er wordt uitgegaan van maximaal € 5,0 mln op jaarbasis.

Maatregelen

De vergunningverlening is ondergebracht bij de omgevingsdiensten. Beperking van dit risico door de provincie vergt adequaat toezicht op een zorgvuldige uitvoering van deze taken door de omgevingsdiensten.

Status

Het betreft hier een doorlopend risico. De aandacht voor juridische kwaliteit heeft er in de afgelopen jaren toe geleid dat er, vergeleken met voorgaande jaren, procentueel minder besluiten waartegen beroep is ingesteld, zijn vernietigd. In deze paragraaf wordt het risico met betrekking tot de Derde Merwedehaven separaat toegelicht (als niet-kwantificeerbaar risico).

7.

Gevolgen waardeontwikkeling grondaandeel Zuidplas

Omschrijving

De provincie neemt voor 40% deel aan de Gemeenschappelijke Regeling (GR) Grondbank Rotterdam Zoetermeer Gouda (RZG) Zuidplas. Het risico bestaat dat de daadwerkelijke waarde van de bij de Grondbank in eigendom zijnde grond lager is dan de boekwaarde. Een tijdelijk negatief eigen vermogen bij de GR Grondbank is toegestaan mits er voldoende perspectief is op herstel. Op grond van de in opdracht van de ROZ en Grondbank uitgevoerde berekeningen is geconstateerd dat dit perspectief er (deels) is. De onzekerheden en afhankelijkheden zijn echter zeer groot. Nieuwe ontwikkelingen in de Zuidplas kunnen overigens op termijn zowel een positief als een negatief effect hebben op de waardeontwikkeling van de gronden.

Impact

Per 1 januari 2013 bezit de Grondbank circa 300,8 ha grond met een boekwaarde van circa € 97,3 mln. De provincie is voor 40% risicodragend. De GR Grondbank loopt tot 1 januari 2020. Bij de berekening van de maximale waardedaling wordt uitgegaan van een situatie waarin de waarde van de grond daalt tot agrarische waarde.

Maatregelen

1. Elk jaar wordt 1/3 deel van de gronden opnieuw getaxeerd door een onafhankelijke taxateur. De uitkomst wordt geëxtrapoleerd naar het totale grondbezit. Eventuele waarde­dalingen of- stijgingen worden verrekend met de deelnemers. Op grond van de eind 2012 uitgevoerde taxaties is geconstateerd dat de marktwaarde € 30,0 mln lager lag dan de boekwaarde. De Grondbank heeft voor dit bedrag een verliesvoorziening getroffen; de provincie heeft een verliesvoorziening getroffen van € 12,0 mln (op basis van het provinciale aandeel in het risicodragend deel).

2. Het bestuur van de Grondbank stelt jaarlijks een UitnamestrategieKader vast. Hierin zijn onder andere het beleid voor gronduitgifte, het beheer en de stimulering van gebiedsontwikkeling vastgelegd.

3. Het risico kan daarnaast beheerst worden door het in ontwikkeling brengen van gronden op basis van de afspraken die de samenwerkende partijen daarover maken.

Het DB van de ROZ heeft in 2012 onderzoek laten uitvoeren naar de ontwikkelingsmoge­lijkheden van de Zuidplas. Dit onderzoek was mede gericht op het optimaliseren van het grondbezit van de Grondbank. Op basis hiervan is door het AB van de ROZ besloten om in het Ontwikkelingsstrategiekader 2013/2014 te komen tot een bijstelling van het geplande woningbouwprogramma in de Zuidplas. Vanaf 2012 worden de rente- en organisatiekosten niet meer aan de boekwaarde toegerekend, maar verwerkt in de deelnemersbijdrage; de financiële consequenties hiervan zijn verwerkt in de meerjarenbegroting van Zuid-Holland.

Status

Het AB van de Grondbank heeft besloten tot het maken van een nadere analyse per deelgebied waarin beoordeeld zal worden of de gronden niet meer, wellicht of zeker nodig zijn voor de gebiedsontwikkeling. Naast inhoudelijke worden hierbij ook de financiële aspecten meegenomen. Op basis van deze analyse zullen door de Grondbank naar verwachting eind 2013 nadere besluiten worden genomen over de verkoop- en beheerstrategie per deelgebied.

8.

Niet tot uitvoering komen grote infrastructurele projecten

Omschrijving

De plan- en voorbereidingskosten van projecten groter dan € 1,0 mln uit het meerjarenprogramma Investeringen Provinciale Infrastructuur (MPI) worden op basis van het Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten (BBV, art. 60) geactiveerd en in vijf jaar afgeschreven. Indien projecten onverhoopt niet worden gerealiseerd, dienen de gemaakte plan- en voorbereidingskosten te worden afgewaardeerd en komen dan in één keer ten laste van de exploitatie.

Impact

De vele partijen, de vaak uiteenlopende belangen, de grote mate van complexiteit, de forse investeringen, maar ook de regelgeving op het gebied van onder andere luchtkwaliteit, geven een mate van onzekerheid aan deze grote projecten, waarvan de totale plan- en voorbereidingskosten vele miljoenen bedragen. Hier staat als financieel voordeel tegenover dat er geen kapitaallasten optreden, noch vanwege plan- en voorbereidingskosten, noch vanwege de realisatie van het project. De gemiddelde boekwaarde van deze plan- en voorbereidingskosten bedragen circa € 14,0 mln.

Maatregelen

Door met de provincie en alle betrokken partijen bestuursovereenkomsten aan te gaan waarbij ook afspraken gemaakt worden over de gang van zaken bij ernstige vertragingen of het niet realiseren van het project, worden zekerheden verkregen. Als het risico zich voordoet zal het worden opgevangen binnen de reserves met betrekking tot infrastructuur.

Status

Is een doorlopend risico, omdat zich jaarlijks projecten in de plan- en voorbereidingsfase bevinden.

9.

Deelname risico Ontwikkelingsmaatschappij Nieuw Westland

Omschrijving

De provincie Zuid-Holland neemt deel in de Ontwikkelingsmaatschappij Nieuw Westland (ONW), een publiek-private samenwerking, waarin verder de gemeente Westland, het Hoogheemraadschap Westland en de BNG Gebiedsontwikkeling participeren. De ONW is bedoeld als instrument om de ambities van het Integraal Ontwikkelingsprogramma West (IOPW) te realiseren, waaronder een aantal woningbouwlocaties. Ten gevolge van de kredietcrisis staan de resultaten onder druk en beperkt ONW zich meer en meer tot slechts het realiseren van de woningbouwlocaties. In het komend half jaar worden scenario's ontwikkeld om de ONW financieel gezond te maken en te houden. De risico's zijn aanzienlijk met name omdat al grote grondposities zijn ingenomen, deels onderge­bracht bij de gemeente Westland, deels rechtstreeks bij de ONW. Al in 2010 is de ONW per brief medegedeeld dat de provincie voornemens is om uit te treden. Dit heeft nog geen vervolg gekregen. De gewijzigde omstandigheden maken deelname van de provincie aan de ONW steeds minder in overeenstemming met de provinciale rol. Een scenario voor uittreden van de provincie zal worden uitgewerkt.

Impact

De impact is afhankelijk van de afwikkeling van een eventuele uittreding en het financiële perspectief van de ONW (onder andere met betrekking tot de waarde van het eerder gestorte aandelenkapitaal; het aandeel van de provincie bedraagt € 1,35 mln, waarvan

€ 0,98 mln gestort aandelenkapitaal betreft).

Maatregelen

De meerwaarde van deelname van de provincie is beperkt, zeker nu de ONW zich noodgedwongen moet concentreren op de ontwikkeling van woningbouwlocaties. De provincie heeft derhalve gevraagd om een scenario te schetsen waarbij de provincie uit de ONW treedt. De verwachting is dat de overblijvende partijen in de ONW aan uittreden, naast bestuurlijk commitment, ook financiële consequenties zullen verbinden. Binnen de ONW is afgesproken dat scenario's worden ontwikkeld om het resultaat van de nog onder handen zijnde grondexploitatie te optimaliseren.

De provincie heeft net als alle andere partijen in de ONW belang bij de ontwikkeling van een gezonde grondexploitatie, ongeacht of ze er al dan niet in slaagt uit te treden.

Status

De nulmeting van de grondexploitaties die ONW onder handen heeft, is vastgesteld. Dit is de basis voor de verkenning van verbeteringsmogelijkheden. Onderzoek naar uittreden moet nog beginnen.

10.

De Europese Commissie kan subsidiabiliteit van uitgaven betwisten

Omschrijving

De provincie loopt bij Europese projecten (voor de onderdelen waarvoor zij eindverantwoordelijk is) het risico dat uitgaven achteraf als niet-subsidiabel worden aangemerkt, omdat niet voldaan is aan administratieve eisen. Dit blijkt bij toetsing van uitgaven op basis van voortgangs- en eindrapportages. Het maximale risico is het relatieve aandeel van de Europese subsidie in de gemaakte en nog niet gecontroleerde en gecertificeerde uitgaven. Daarnaast bestaat bij een afgesloten Europees subsidieproject het risico dat achteraf uitgaven ten behoeve van het project niet-subsidiabel worden geacht naar aanleiding van een controle. Subsidies kunnen dan, zelfs vijf jaar na afsluiting van het subsidieprogramma, worden terug­gevorderd. Het teruggevorderde bedrag kan oplopen tot 50% van de totale omvang van het project.

Impact

· Voor de lopende projecten 2007 tot en met 2013 bedraagt de maximale impact een bedrag van € 8,8 mln; het betreft hier de ontvangen voorschotten voor de nog niet afgerekende kosten.

· Het risico dat er achteraf uitgaven worden betwist betreft alle Europese financiering die Zuid-Holland in de lopende periode (2007-2013) heeft ontvangen voor Kansen voor West, Interreg en het Zevende Kaderprogramma. Het betreft een bedrag van € 13,5 mln.

Maatregelen

· Bewaking van de subsidiabiliteit van uitgaven door goede projectvoorbereiding en- selectie.

· Voortdurende bewaking van de procedures voor het indienen van tussentijdse declaraties.

· Zorg dragen voor een goede archivering van al afgerekende projecten naar de maatstaven van de Europese Commissie.

Status

Voor de periode 2007 tot en met 2013 zijn momenteel drie projecten van de provincie in uitvoering (aardgasvulpunten, walstroom Zuid-Holland, Clusterregeling ZH). Het steunpunt subsidies van de provincie bewaakt op actieve wijze dat voldaan wordt aan de eisen van de Europese Unie.

11.

Garantstelling Contract Personenvervoer over Water (POW)

Omschrijving

Het Contract Personenvervoer over Water (POW) betreft een veerverbinding tussen Dordrecht en Rotterdam en binnen de Drechtsteden. Dit contract is op 1 januari 2010 afgesloten. Hierin is opgenomen dat de in te zetten schepen aan het einde van de contractperiode overgaan naar de nieuwe vervoerder tegen het voorgeschreven restant van de boekwaarde van € 3,0 mln in 2021. Tegenover de vreemd vermogen verstrekker staat de provincie garant voor het verschil tussen de opbrengst en de boekwaarde van de schepen bij tussentijdse beëindiging vanwege betalingsproblemen van de vervoerder.

Impact

Maximale impact op basis van stand ultimo 2014 is € 7,3 mln.

Maatregelen

In de aanbestedingsleidraad zijn door de provincie diverse aanvullende maatregelen opgenomen die de kans op een succesvolle exploitatie van POW vergroten.

Status

Het contract is met ingang van 1 januari 2010 ingegaan.

12.

Volledige honorering subsidieaanvraag Voordelta

Omschrijving

In oktober 2008 heeft Ridderstee Holiday B.V. te Ouddorp een subsidie aangevraagd voor uitvoering van het project ‘Ouddorp-duin’. Doel van dit project is om gebiedsontwikkeling te realiseren inclusief een hotel en een ‘elkweersvoorziening’. De aanvraag is ingediend in het kader van de eerste tender van de tijdelijke verordening stimulering Voordelta. Het gevraagde subsidiebedrag bedroeg € 4,5 mln.

Op 4 februari 2009 hebben GS een subsidie verleend van € 0,2 mln, omdat de aanvraag naar het oordeel van de provincie voor het merendeel ongeoorloofde staatssteun betrof. Ridderstee Holiday is vervolgens een bezwaar- en beroepsprocedure gestart. Op 28 september 2011 heeft de Rechtbank de provincie in het gelijk gesteld. Ridderstee Holiday heeft vervolgens hoger beroep ingesteld bij de Raad van State.

Op 13 februari heeft de Raad van State uitspraak gedaan, waarbij de beslissing op het bezwaar en de uitspraak van de Rechtbank zijn vernietigd. GS dienen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen, namelijk dat GS (informeel) advies bij de Europese Commissie had moeten inwinnen over de verenigbaar-heid van de gevraagde subsidie met de staatssteunregels.

Impact

Maximaal € 1,8 mln.

Maatregelen

Naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State treedt de provincie in overleg met Ridderstee Holiday. Als op basis hiervan (en na raadpleging van de Europese Commissie) GS besluiten alsnog een hoger bedrag toe te kennen dan de eerder toegekende € 0,2 mln, dan zal in eerste instantie worden gekeken naar rijksmiddelen die bij de provincie op de balans staan (en geen deel uitmaken van de weerstandscapaciteit). Dit betreft een bedrag van maximaal

€ 2,5 mln.

Status

Zie maatregelen.

13.

Onvoldoende middelen voor nazorg gesloten stortlocaties

Omschrijving

Met ingang van 1 april 1998 zijn provincies verantwoordelijk voor de eeuwigdurende nazorg van provinciale stortplaatsen, waarop na 1 september 1996 nog afvalstoffen zijn of worden gestort. Het Fonds Nazorg gesloten stortlocaties is ingesteld voor het beheer van het vermogen, dat beschikbaar dient te zijn om de kosten van eeuwigdurende nazorg te dekken. Als een stortplaats zich nog in de exploitatiefase bevindt dan worden aan de exploitant heffingen opgelegd totdat het definitieve doelvermogen is bereikt. In deze fase loopt de provincie een debiteurenrisico (de exploitant is niet in staat om de opgelegde heffingen te betalen). Na sluiting van de stortplaats loopt de provincie het risico dat de nazorgkosten gedeeltelijk moeten worden betaald uit provinciale middelen door:

· een afwijkende ontwikkeling van de rendementen, waardoor de heffingen te laag zijn en er onvoldoende vermogen wordt opgebouwd; periodiek laat Zuid-Holland onderzoeken of de rekenrente in lijn is met de feitelijke / verwachte vermogensontwikkeling (de rekenrente dient daarmee als basis voor de aan de exploitanten op te leggen heffingen);

· technische onvolkomenheden als gevolg van falende voorzieningen;

· een toe- of afname van de nazorgkosten als gevolg van prijsontwikkelingen en gewijzigde milieueisen.

Impact

Uit een eind 2012 uitgevoerde studie is gebleken dat de rendementsverwachting achterblijft bij eerdere ramingen. Op basis hiervan heeft het bestuur van het Fonds besloten de reken-rente te verlagen, zodat het doelvermogen stijgt. Deze stijging wordt voor nog niet overgedragen stortplaatsen bereikt door een verhoging van de heffingen (vastgelegd in de tarieventabellen die worden vastgesteld bij de begroting van het Fonds Nazorg) en voor de inmiddels aan de provincie overgedragen stortplaatsen door het treffen van een voorziening. Bij Jaarrekening 2012 is hiervoor een voorziening getroffen van € 7,9 mln. Deze risico’s worden op deze wijze beheerst en de kans dat alsnog een beroep moet worden gedaan op de weerstandscapaciteit van de provincie wordt vooralsnog ingeschat als nihil. Wel kan de provincie mogelijk een debiteurenrisico lopen als gevolg van de verhoging van de heffingen. De kans hierop wordt vooralsnog als nihil ingeschat. De maximale impact ten aanzien van de niet overgedragen stortplaatsen wordt ingeschat op € 15,8 mln (dit betreft een situatie waarin de provincie de financiële verantwoordelijkheid voor de exploitatie over zou moeten nemen).

Maatregelen

De genomen maatregelen zijn het treffen van een voorziening en het verhogen van de heffingen (zie impact). Daarnaast wordt het risico gemonitord door het periodiek onderzoeken van de langere termijn rendementsverwachting. Tot slot worden periodiek de nazorgplannen geactualiseerd met als doel om te kunnen bepalen of het doelvermogen nog toereikend is. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om technische onvolkomenheden, prijsontwikkelingen of gewijzigde milieueisen. Actuele ontwikkelingen ten aanzien van de risico’s worden opgenomen in de Paragraaf weerstandsvermogen en Risicobeheersing.

Status

Er is bestuurlijk overleg geweest over de aanpassing van de rekenrente. De stortplaats­exploitanten hebben de juridische mogelijkheid om een bezwaar- en beroepsprocedure te starten nadat de heffingen voor 2014 zijn opgelegd.

14.

Risico’s PMR - 750 ha natuur en recreatie

Omschrijving

De uitvoeringskosten uitwerkingsovereenkomst PMR: risico’s zijn gelegen in de beheersing van de uitvoering van het project.

Impact

De impact van dit risico hangt af van de mate waarin zich onvoorziene omstandigheden voordoen. Op basis van een inschatting van de financiële risico’s wordt de omvang van de post onvoorzien periodiek bijgesteld.

Maatregelen

De provincie voert het PMR-project ‘Buijtenland van Rhoon’ voor eigen rekening en risico uit. Hiervoor is een taakstellend budget beschikbaar. De financiering van het project is gedekt door de gezamenlijke PMR-partners en vastgelegd in de UWO PMR 750 ha. De bijdrage van Zuid-Holland bedraagt € 9,0 mln, de stadsregio Rotterdam draagt € 18,0 mln bij en het Rijk € 112,0 mln. In geval van onvoorziene omstandigheden (zoals excessieve grondprijsstijgingen) kan de provincie in overleg treden met het Rijk (op grond van art. 12 van het UWO). Om de financiële risico’s goed te beheersen wordt risicomanagement toegepast. Met behulp van een (financiële) businesscase is inzichtelijk gemaakt wat mogelijke meerkosten zouden kunnen zijn als zich risico’s voordoen. De verwachtingswaarde van mogelijke meerkosten, volgend uit het financieel risicoprofiel, vormt de onderbouwing van de post onvoorzien die in de businesscase van het project (over de gehele looptijd tot en met 2021) is opgenomen. De totale omvang van de post onvoorzien bedraagt € 13,8 mln. Mocht de verwachtingswaarde stijgen dan zal de post onvoorzien daarop worden aangepast. Mocht uit nieuwe ontwikkelingen blijken dat het taakstellend budget overschreden wordt, dan dienen er beheersmaatregelen getroffen te worden (zoals besparen op andere kostenposten of zoeken van andere geldbronnen).

Status

Het project zit in de uitvoeringsfase en loopt tot en met 2021.

15.

Deelname risico ROM-D Capital BV

Omschrijving

De provincie neemt deel met € 10,0 mln in ROM-D Capital BV, het publiek investerings-fonds van de Regionale Ontwikkelingsmaatschappij Drechtsteden. Besluitvorming hierover is in 2012 afgerond. De daadwerkelijke storting van dit bedrag is eind december 2012 gebeurd. ROM-D Capital BV is een ‘revolving fund’. Er worden alleen projecten gefinancierd waarvan op basis van een businesscase kan worden aangetoond dat deze op termijn winst of meerwaarde genereren. Eventuele winst vloeit terug naar het fonds. Kerntaak van de ROM-D is het ontwikkelen en herstructureren van bedrijventerreinen. De andere deelnemers in ROM-D Capital BV zijn naast de provincie de Gemeenschappelijke Regeling Drechtsteden en de gemeente Dordrecht.

Impact

ROM-D Capital BV stelt werkkapitaal beschikbaar aan werkmaatschappijen (de CV’s). Het maximale risico voor de provincie is dat de aan één of meer CV’s door Capital beschikbaar gestelde gelden (deels) verloren gaan. Het maximale risico is gelijk aan het gestorte aandelenkapitaal in ROM-D Capital BV (€ 10,0 mln).

Maatregelen

Tot de beheersmaatregelen die zijn getroffen om de risico’s zoveel mogelijk te beperken, behoort onder andere het in Drechtstedenverband vastgelegde uitgangspunt dat projecten budgettair neutraal overgaan van de betreffende gemeente naar ROM-D. Het risico voor ROM-D is dus in beginsel beperkt. Voor een aantal van deze projecten zal aan ROM-D Capital BV worden gevraagd om een bijdrage in het werkkapitaal. Dan bepaalt de provincie als aandeelhouder in ROM-D Capital BV mee waarvoor de middelen zullen worden ingezet. De aandeelhouders besluiten naar aanleiding van een advies van een onafhankelijk Investment-committee, dat weer adviseert op basis van een sluitende businesscase. Verder wordt de financiële stand van zaken periodiek beoordeeld op basis van de jaarrekening van de ROM-D (deze wordt vastgesteld door de aandeelhouders van de ROM-D waaronder ook Zuid-Holland).

Status

Het betreft hier een doorlopend risico. De kans van optreden wordt vooralsnog nihil ingeschat. Een eventueel risico zal pas over een aantal jaren daadwerkelijk effectief worden, omdat ROM-D Capital BV nu nog in de opstartfase zit. Middelen moeten nog aan projecten worden toegekend en vervolgens moeten de activiteiten nog daadwerkelijk worden opgestart.

16.

Deelname risico ROM Zuidvleugel B.V.

Omschrijving

De provincie neemt, samen met het ministerie van Economische Zaken, de gemeenten Rotterdam, Den Haag, Delft, Leiden, Dordrecht, Westland en de Zuid-Hollandse universiteiten en medische centra deel in de Regionale Ontwikkelingsmaatschappij (ROM) Zuidvleugel B.V. De organisatie bestaat uit twee entiteiten: de ROM Zuidvleugel B.V. en de Participatiemaatschappij ROM Zuidvleugel B.V. De Participatiemaatschappij ROM Zuidvleugel B.V. is een 100% dochter van de ROM Zuidvleugel B.V. Het kapitaal dat door de aandeelhouders in de ROM Zuidvleugel B.V. wordt gestort, wordt volledig aangewend voor het (revolverende) participatiefonds. De storting van de provincie in de eerste fase bedraagt € 10,0 mln, te storten in de periode 1 oktober 2013 - 1 april 2014.In de tweede fase is een storting voorzien van € 15,0 mln (2015/2016). De provincie verkrijgt door haar kapitaalinbreng aandelen in de ROM Zuidvleugel B.V. Voorwaarde voor deelneming in de ROM Zuidvleugel B.V. is dat de provincie nooit meer kosten zal maken dan de investering groot is. Om dit te beheersen zal de provincie conform staand beleid geen meerderheid van de aandelen bezitten, maximaal 49,99%. Het startkapitaal van de ROM Zuidvleugel B.V. bedraagt € 28,7 mln. Daarvan is de provincie voor 34,8% aandeelhouder (€ 10,0 mln). Waardevermindering van de aandelen is een risico voor de provincie.

Impact

Het maximale risico is gelijk aan het gestorte aandelenkapitaal in ROM Zuidvleugel B.V. (eerste fase € 10,0 mln en tweede fase € 15,0 mln).

Maatregelen

Om het risico van waardedaling van de aandelen af te dekken wordt een reserve voor waarderingsverschillen gevormd. De reserve wordt opgebouwd door middel van jaarlijkse stortingen totdat in 2020 een maximale omvang van € 10,0 mln is bereikt.

Status

Het betreft hier een doorlopend risico. De kans van optreden wordt vooralsnog nihil ingeschat. Een eventueel risico zal pas over een aantal jaren daadwerkelijk effectief worden, omdat de ROM Zuidvleugel B.V. nu in de opstartfase zit. Middelen moeten nog aan projecten worden toegekend en vervolgens moeten de activiteiten nog daadwerkelijk worden opgestart.

17.

Geen aflossing gegarandeerde leningen derden

Omschrijving

De provincie Zuid-Holland staat in een aantal gevallen garant voor de rente en aflossing van door derden afgesloten geldleningen. Het betreft garantstellingen op het terrein van de gezondheidszorg. Er is sprake van een geleidelijke afbouw van de portefeuille gewaarborgde geldleningen vanwege de aflossing van de geldleningen en vanwege tussentijdse conversies van leningen waarbij de provinciale borgstelling komt te vervallen.

Impact

De te lopen maximale schade bedraagt ultimo 2014 € 5,8 mln. Voor een groot deel van dit bedrag (circa 98%) zijn hypothecaire zekerheden bedongen die kunnen worden uitgewonnen indien de provincie als borg wordt aangesproken. De kans van optreden van dit risico wordt dan ook ingeschat als nihil. Het uitwinnen van deze zekerheden kan echter leiden tot ernstige maatschappelijke gevolgen bij zorginstellingen. In dat geval zou kunnen worden besloten de gestelde zekerheden niet aan te spreken.

Maatregelen

Er worden geen nieuwe garanties meer verstrekt aan zorginstellingen. 100% van door de provincie gewaarborgde instellingen is aangesloten bij het Waarborgfonds voor de zorgsector.

Status

De komende jaren worden de garantstellingen verder afgebouwd. Naar verwachting resteert er in 2016 nog een bedrag van € 2,9 mln aan openstaande garanties en zijn alle garanties in 2023 volledig afgebouwd.

18.

Financieel risico subsidie RAS

Omschrijving

Risico is dat Zuid-Holland alsnog een subsidie moet verstrekken aan het stadsgewest Haaglanden en de stadsregio Rotterdam voor het preventieve jeugdbeleid. Op 19 maart 2012 hebben GS aangegeven na de beëindiging van de Regionale Agenda Samenleving 2009-2012 geen nieuwe bestuursovereenkomst meer aan te gaan en in verband hiermee met ingang van

1 januari 2013 geen subsidie meer te verstrekken voor het preventieve jeugdbeleid. Gemeenten hebben een eigen verantwoordelijkheid op basis van de Wmo voor preventief jeugdbeleid en de stadsregio’s zijn gelijk gesteld met een provincie voor de uitvoering van de Wet op de jeugdzorg.Naar aanleiding hiervan zijn het Stadsgewest en de Stadsregio een bezwaar- en beroepsprocedure gestart.

De Rechtbank heeft inmiddels het bezwaar van het stadsgewest ongegrond verklaard. Het Stadsgewest is in hoger beroep gegaan bij de Raad van State (zittingsdatum nog niet bekend). In aanloop naar de uitspraak van de Rechtbank heeft het Stadsgewest alsnog een subsidieaanvraag ingediend bij GS; deze is inmiddels afgewezen. Het Stadsgewest is naar aanleiding hiervan een bezwaar- en beroepsprocedure gestart (het bezwaar wordt 26 september 2013 door de bezwarencommissie behandeld).

Ook de Stadsregio is een bezwaar- en beroepsprocedure gestart. Het bezwaar is door GS eerder niet-ontvankelijk verklaard (vanwege het overschrijden van de bezwaartermijn). De Stadsregio heeft inmiddels beroep aangetekend bij de Rechtbank. De zitting is op 4 september 2013.

Impact

De maximale schade bedraagt € 1,6 mln met betrekking tot het Stadsgewest Haaglanden. De kans van slagen van het hoger beroep van het Stadsgewest wordt zeer beperkt geacht omdat er geen RAS overeenkomsten gesloten zijn en er geen wettelijke grondslag is voor provinciale financiering van preventief jeugdbeleid. Binnen programma 4 is het risico zo nodig op te vangen, dit gaat echter ten koste van het budget voor innovatie. De kans van slagen van het beroep van de Stadsregio is nog kleiner omdat de termijnen overduidelijk zijn overschreden en het niet gaat over de inhoud. De kans dat er uiteindelijk een beroep moet worden gedaan op de weerstandscapaciteit wordt als nihil ingeschat. Stadsregio Rotterdam heeft tot op heden geen subsidieverzoek ingediend.

Maatregelen

· Juridische ondersteuning bij (hoger) beroepsprocedure.

· Het beleidskader Jeugdzorg 2013-2016 is gewijzigd ten opzichte van het ontwerp kader (de RAS wordt afgebouwd en de ondersteuning van de transitieregio’s Midden-Holland, Zuid-Holland Zuid, Holland Rijnland en Goeree-Overflakkee wordt ten aanzien van de transitie van de jeugdzorg geïntensiveerd).

Status

GS hebben de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State verzocht het hoger beroep van het Stadsgewest ongegrond te verklaren. Aan de Rechtbank is gevraagd het beroep van de Stadsregio ongegrond te verklaren en GS zullen aan de bezwarencommissie vragen het bezwaar van het Stadsgewest inzake de subsidieweigering eveneens ongegrond te verklaren.

19.

Onvoldoende solvabiliteit / liquiditeit Regionale omroepen

Omschrijving

De provincie Zuid-Holland heeft aan RTV West en RTV Rijnmond in 2004 een achtergestelde lening verstrekt. Omdat het hier achtergestelde leningen betreft, bestaat er een zeker risico dat de leningen niet (geheel) zullen worden terugbetaald in geval van faillissement van één of beide omroepen. De financiële positie van de twee regionale omroepen is de laatste jaren structureel gezond. Ook de liquiditeit is niet langer een knelpunt. De lening aan RTV West bedroeg

€ 4,5 mln en aan RTV Rijnmond € 2,5 mln. In de leningovereenkomst van RTV West is opgenomen dat de lening vanaf 2007 wordt afgelost in tien jaarlijkse termijnen, waarbij de eerste twee termijnen minimaal € 0,25 mln per jaar bedragen en de daarop volgende termijnen minimaal € 0,5 mln per jaar. In de leningovereenkomst van RTV Rijnmond is opgenomen dat de lening wordt afgelost vanaf 2008 (eveneens in tien jaarlijkse termijnen van ten minste € 0,25 mln). Conform de afspraak zijn de omroepen begonnen met het aflossen van de leningen.

Impact

Maximale schade per ultimo 2014 bedraagt € 1,2 mln (waarvan € 0,7 mln voor RTV West en

€ 0,5 mln voor RTV Rijnmond).

Maatregelen

De financiële positie en liquiditeitspositie van de regionale omroepen worden door middel van periodieke rapportages gemonitord.

Status

Als gevolg van recentralisatie van de zorgplicht voor de regionale omroepen door het Rijk is de subsidierelatie met de beide regionale omroepen West en Rijnmond per 1 januari 2014 beëindigd. De recentralisatie heeft geen juridische consequenties voor de status van de leningovereenkomst. Gelet op de gezonde financiële positie van beide instellingen wordt verwacht dat de leningen volledig zullen worden afgelost.

20.

Ontwikkelingen bezuiniging op regionale omroepen

Omschrijving

Door de regionale omroepen RTV Rijnmond en Omroep West is er beroep ingesteld tegen het besluit van GS om de boekjaarsubsidies met ingang van 1 januari 2013 met € 1,0 mln (per regionale omroep) te verlagen. Dit besluit maakt deel uit van een breder pakket van bezuinigingsmaatregelen.

De omroepen hebben bezwaar aangetekend. Dit bezwaar is ongegrond verklaard en vervolgens hebben de omroepen beroep aangetekend bij de bestuursrechter. De rechter heeft op 16 april 2013 uitspraak gedaan en heeft de beroepen van de regionale omroepen tegen de aankondigingsbesluiten 2012-2013 en de subsidiebesluiten 2012 ongegrond verklaard. De omroepen zijn in hoger beroep gegaan; het is nog niet bekend wanneer de zitting bij de Raad van State plaatsvindt.

Impact

De kans dat er een beroep gedaan moet worden gedaan op de weerstandscapaciteit wordt ingeschat op nihil.

Maatregelen

Zorgvuldige onderbouwing van het besluit; juridische ondersteuning.

Status

Zie omschrijving.

21.

Boete Rijk in verband met EMU-tekort

Omschrijving

Risico is dat Zuid-Holland bij moet dragen aan een boete opgelegd door het Rijk omdat decentrale overheden tezamen de voor hen geldende macronorm voor het EMU-tekort overschrijden. Sinds 2004 geldt voor decentrale overheden een macronorm van 0,5% BBP (-/-); het maximale aandeel van provincies hierin bedraagt 0,07% BBP (-/-); voor Zuid-Holland geldt een ‘referentiewaarde’ voor het EMU-tekort van circa € 50,0 mln. Op basis van de wet Fido kan het Rijk een korting opleggen aan decentrale overheden, als zij de macronorm overschrijden én Nederland een boete krijgt vanwege de in Europees verband afgesproken begrotingsnorm voor lidstaten (3% BBP -/-).

In het voorjaar van 2013 heeft de Tweede Kamer ingestemd met de wet Houdbare overheidsfinanciën (HOF). Deze wet geeft het Rijk de mogelijkheid om maatregelen te treffen (zoals het opleggen van financiële sancties) bij een overschrijding van de macronorm, zonder dat Nederland een boete krijgt van de Europese Commissie. De wet HOF wordt naar verwachting in de tweede helft van 2013 behandeld in de Eerste Kamer. Begin 2013 hebben Rijk en decentrale overheden nadere afspraken gemaakt over de beheersing van het EMU-saldo. Afgesproken is dat de huidige macronorm nog tot en met 2013 gehandhaafd blijft; eind 2015 wordt beoordeeld of verlaging van de norm mogelijk en verantwoord is. Daarnaast is afgesproken dat het sanctieinstrumentarium van de wet HOF gedurende deze kabinetsperiode niet zal worden ingezet.

Impact

Decentrale overheden hebben aangegeven dat de macronorm mogelijk knellend kan werken. Dit is zeker het geval indien deze norm na 2015 wordt aangescherpt. Het Rijk zal echter niet zomaar een boete gaan opleggen. Zo zal bij een dreigende overschrijding eerst bestuurlijk overleg plaatsvinden, waarbij ook wordt bekeken hoe het EMU-saldo zich meerjarig ontwikkelt. Bovendien heeft de minister bij de behandeling van de wet HOF in de Tweede Kamer toegezegd, dat er geen sancties worden opgelegd als de overschrijding veroorzaakt wordt door investeringen waaraan decentrale overheden en Rijk samenwerken en/of onderlinge bestuurlijke afspraken over zijn gemaakt. Als het Rijk wel een boete oplegt, bestaat er desondanks de mogelijkheid dat Zuid-Holland hieraan bij moet dragen. Decentrale overheden hebben immers aangegeven dat de norm knellend kan gaan werken (zeker indien deze wordt aangescherpt).

Provincies hebben aangegeven 100% meer EMU-ruimte nodig te hebben, dan wat zij nu hebben (0,07%); voor Zuid-Holland geldt dat de huidige referentiewaarde van circa € 50,0 mln bij lange na niet voldoende is gezien de ambities op het gebied van infrastructuur, groen en economie die de komende jaren worden gerealiseerd. Voor de komende twee jaar verwacht Zuid-Holland een EMU-tekort te realiseren van € 158,0 mln (2014) en € 261,7 mln (2015).

De omvang van een boete kan oplopen tot maximaal de omvang van de algemene uitkering uit het Gemeente- en Provinciefonds. Voor Zuid-Holland gaat het dan om een bedrag van circa

€ 100,0 mln.

Maatregelen

· VNG, IPO en UvW hebben gezamenlijk de negatieve gevolgen van de wet HOF zoveel mogelijk onder de aandacht gebracht bij beleidsbepalers.

· VNG, IPO en UvW laten onderzoek doen naar de verdeling van de macronorm in 2014 en 2015; inzet van IPO hierbij is om te komen tot een hoger aandeel voor de provincies dan de huidige 0,07% BBP -/-.

Status

Het wetsvoorstel HOF wordt naar verwachting in het najaar van 2013 in de Eerste Kamer behandeld; de uitkomsten van het gezamenlijk onderzoek van VNG, IPO en UvW zullen naar verwachting in het najaar beschikbaar zijn. Streven is om op basis van dit onderzoek het risico nader te kwantificeren.

22.

Financiële risico’s ontwikkelopgave EHS

Omschrijving

Risico is dat de provincie niet (tijdig) voldoende middelen beschikbaar heeft om de ontwikkelopgave EHS te kunnen realiseren. In 2011 is met het decentralisatieakkoord Natuur landelijk overeenstemming bereikt over de afwikkeling van het ILG-programma, inmiddels volledig afgerond met de afrondingsovereenkomst ILG in november 2012, de herijkte opgave EHS en natuurbeheer. PS hebben eind 2011 ingestemd met de afspraken in het decentralisatieakkoord. Financiering van het EHS-programma was volledig gebaseerd op het systeem van ‘grond voor grond’. Het Regeerakkoord van het kabinet Rutte II in 2012 heeft weer ruimte geboden voor extra middelen voor natuur (€ 200,0 mln structureel). In 2013 wordt hierover onderhandeld met de staatssecretaris van Natuur. In 2013 leidt dit tot een incidentele storting van € 6,7 mln in het Provinciefonds.

Op basis van deze ontwikkelingen hebben GS in het voorjaar van 2013 de realisatiestrategie EHS vastgesteld en besproken met PS. De investeringskosten voor de EHS worden geraamd op € 240,0 mln - € 270,0 mln. Op basis van de mogelijke storting via het Provinciefonds en de opbrengst van de grondvoorraad is een bedrag van ongeveer € 180,0 mln beschikbaar in de periode t/m 2027. De provincie heeft een inspannings­verplichting om de internationale natuurdoelen te bereiken. Bij de uitvoering hiervan wordt nauw samengewerkt met Waterschappen (KRW-doelen), gemeenten en lokale groepen. In deze samenwerking vraagt de provincie naast inspanningsverplichtingen ook een financiële bijdrage of een vorm van zelfrealisatie (totale bijdrage 30%). Zonder deze bijdrage zullen de internationale doelen niet bereikt worden.

In het decentralisatieakkoord Natuur is afgesproken dat vanaf 2014 de provincie volledig verantwoordelijk is voor het beheer, waarbij ongeveer 2/3 van de kosten via het Provinciefonds beschikbaar komt en 1/3 voor rekening van de provincie komt. Dit bedrag bedraagt voor de provincie Zuid-Holland ongeveer € 3,5 mln per jaar. Het akkoord van 2013 heeft ook een beheercomponent. Hiervoor zullen grotendeels additionele taken worden opgepakt. Na de decentralisatie is nog sprake van de volgende onzekerheden met betrekking tot de dekking:

1. In 2013 wordt de EHS planologisch vastgesteld; parallel hieraan wordt het uitvoeringsprogramma EHS door GS vastgesteld. Dekking dient plaats te vinden door verkoop van de zogeheten BBL-gronden en door inzet van de ‘extra’ middelen uit het Regeerakkoord. Beide dekkingsbronnen zijn echter in meer of mindere mate onzeker: de € 200,0 mln aan extra middelen maakt mogelijkerwijs (gedeeltelijk) deel uit van de

€ 6,0 mld aan bezuinigingen, die het Rijk voor de Rijksbegroting 2014 wil nemen; daarnaast zijn de feitelijke inkomsten uit de verkoop van BBL-gronden nog onzeker.

2. Onzeker is nog welke bijdrage de regionale partijen kunnen leveren bij de ontwikkelopgave EHS.

3. Als de EHS-opgave conform afspraken wordt gerealiseerd, zal er in de loop van de jaren een dekkingstekort ontstaan op het beheer van € 3,5 mln, waarvan een deel via herschikking gevonden zal worden.

Impact

1a. Het aandeel van Zuid-Holland in de € 200,0 mln uit het Regeerakkoord bedraagt circa

€ 7,0 mln structureel per jaar.

1b. De inzet van BBL-gronden wordt geraamd op een netto bedrag van circa € 85,0 mln.

2. De bijdrage van de regionale partijen wordt geraamd op circa € 60,0 mln.

3a. Het dekkingstekort kan (afhankelijk van de uiteindelijke programmering en het feitelijke realisatietempo) oplopen van circa € 0 structureel in 2014 naar € 2,0 mln structureel in 2027.

3b. Voor een aantal beheersmaatregelen (onder andere PAS-maatregelen, Faunabeheer) loopt de provincie incidentele risico’s (financiële tegenvallers). Hierboven neemt ook het risico toe dat er onvoldoende EU-middelen beschikbaar zijn. De subsidieperiode 2014- 2020 moet nog worden vastgesteld.

Maatregelen

De volgende beheersmaatregelen zijn / worden genomen:

· Met de in 2012 door PS vastgestelde beleidsvisie groen is een koers in gang gezet waarbij als uitgangspunt geldt dat er niet meer aan beleid gerealiseerd wordt dan er aan middelen beschikbaar is, PS hebben aangegeven dat doelen en middelen in balans moeten zijn (dit geldt zowel voor ontwikkeling als voor beheer).

· In de realisatiestrategie EHS worden drie fasen (2013-2016, 2017-2021 en 2021-2027) onderscheiden met elk een eigen ijkpunt, met als doel overwogen keuzes te kunnen maken ten aanzien van de beschikbare dekking in relatie tot de programmering.

· Incidentele risico’s worden beperkt door heldere afspraken te maken met partijen, waarbij eventueel in nieuwe overeenkomsten taakstellende budgetten worden afgesproken. Dit geldt ook voor EU-middelen. Nieuwe overeenkomsten worden voorbereid.

Status

Zie omschrijving.

23.

Geen of verminderde afdracht uit gebiedsontwikkeling Zuidplaspolder ten behoeve van hoofdplanstructuur

Omschrijving

De provincie werkt samen met de gemeenten Zuidplas, Gouda, Waddinxveen, Rotterdam en het Hoogheemraadschap van Krimpenerwaard en Schieland aan de ontwikkeling van de Zuidplaspolder. Een deel van de kosten van de hoofdplanstructuur dient te worden gedekt uit de gebiedsontwikkeling (bovenplanse verevening). In bestemmingsplannen wordt de ontwikkeling mogelijk gemaakt en op het moment dat deze onherroepelijk zijn, is een gemeente de vastgestelde bijdrage verschuldigd aan de ROZ. In het Ontwikkelingsstrategiekader 2011 van de ROZ is uitgegaan van een bijdrage van totaal € 40,0 mln waarvan € 30,0 mln voor infrastructuur en € 10,0 mln voor de groen-blauwe structuur. Op basis van de bestemmingsplannen die inmiddels onherroepelijk zijn, is door het DB van de ROZ aan de gemeente Zuidplas een concept-verschuldigheidsverplichting van € 25,0 mln opgelegd waarvan € 20,0 mln bestemd is voor financieren van de Moordrechtboog en € 5,0 mln voor de Groene Waterparel. Voor de aanleg van de Rottelaan en diverse andere onderdelen van de groen-blauwe structuur is nog € 10,0 mln respectievelijk € 5,0 mln aan bijdrage van de gemeente Zuidplas in het OSK 2011 opgenomen. De gemeente Zuidplas heeft aangegeven het principe van de verschuldigdheid te erkennen, maar gaat niet akkoord met de opgelegde verschuldigdheid, zowel waar het gaat om de hoogte als om de betaalmomenten. Er is aldus sprake van een debiteurenrisico.

Impact

Indien de afdracht niet of niet volledig beschikbaar is of komt, valt een deel van de dekking van diverse onderdelen van de Hoofdplanstructuur weg. Voor de projecten waar dit speelt, zal dit moeten worden opgevangen door het vinden van alternatieve dekking, kostenreductie of scope-aanpassingen. Gevolg hiervan kan zijn dat het integrale karakter van de gebiedsontwikkeling onder druk komt te staan.

Maatregelen

Uitgangspunt is dat de gemeente Zuidplas aan haar verplichtingen zal voldoen. In overleg met de gemeente Zuidplas wordt bezien hoe daar invulling aan gegeven kan worden. Daarbij wordt ook de herprioritering binnen de Hoofdplanstructuur betrokken waaronder de aanleg van de Rottelaan. Voor de Groene Waterparel worden alleen financiële verplichtingen aangegaan voor zover middelen beschikbaar zijn. Dat betekent dat omvang en het kwaliteitsniveau van de Groene Waterparel afhankelijk is van de beschikbare middelen.

Status

Medio 2013 is er zicht op een oplossing tussen de gemeente Zuidplas en de provincie over alternatieven voor de bijdrage van Zuidplas. Besluitvorming bij Zuidplas, provincie en ROZ zal naar verwachting in de 2e helft van 2013 plaatsvinden.

24.

Herinrichting Meeslouwerplas

Omschrijving

Op 26 augustus 2009 is de ‘Basisovereenkomst’ tussen BAM Wegen regio west BV en de provincie Zuid-Holland ondertekend. De basisovereenkomst heeft betrekking op de volgende vijf projecten, samen ‘het Werk’ genoemd en in het vervolg als project Meeslouwerplas aangeduid:

· Het verondiepen van de Meeslouwerplas (c.q. het herstel van de instabiele oevers).

· Het herinrichten van de oevers.

· Het realiseren van het krekengebied.

· Het verduurzamen van de eilanden tussen Meeslouwerplas en de recreatieplas.

· Het realiseren van twee geluidwerende voorzieningen.

· Bouw nieuwe brug ter vervanging van de Bailey-brug.

De ondertekening van de basisovereenkomst in augustus 2009 vormde de officiële start voor de uitvoeringfase. Voor de doorlooptijd van het project wordt uitgegaan van 10 jaar. De belangrijkste risico’s van het project herinrichting Meeslouwerplas zijn:

· Het project levert niet genoeg geld op (raming circa € 2,7 mln).

· Er komt binnen de termijn van 10 jaar onvoldoende kwalitatief goede grond beschikbaar.

· BAM stopt met de uitvoering van het project.

· Het verondiepingswerk loopt vertraging op als gevolg van minder aanbod van bagger en grond.

Impact

Indien deze risico’s werkelijkheid worden kan dat de volgende consequenties hebben:

· De provincie Zuid-Holland blijft met een tekort zitten.

· Het project gaat langer dan tien jaar duren.

· Indien BAM binnen enkele jaren stopt zal de provincie Zuid-Holland met een tekort van enkele miljoenen kunnen blijven zitten. In de eerste plaats is er nu al vooruitlopend op inkomsten circa € 2,0 mln uitgegeven. In de tweede plaats is er nog het probleem van de instabiele oevers hetgeen naar schatting circa € 2,5 mln aan kosten met zich mee zal brengen.

Maatregelen

In de basisovereenkomst is afgesproken dat een herziening van de afspraken mogelijk is als daar aanleiding toe is (als bijvoorbeeld door marktomstandigheden niet tijdig voldoende grond beschikbaar is).

Status

Er wordt onderzoek gedaan naar de scope van het project; naar aanleiding van de uitkomsten van dit onderzoek zal er bestuurlijk overleg plaatsvinden.

25.

Derde Merwedehaven

Omschrijving

In februari 2011 heeft de provincie een grotere hoeveelheid gestort asbesthoudend materiaal in de Derde Merwedehaven gerapporteerd (ten opzichte van februari 2010). Naar aanleiding van aangifte door de Stichting Derde Merwedehaven is een strafrechtelijk onderzoek gestart. De uitkomst is inmiddels bekend: Zuid-Holland en anderen zullen strafrechtelijk niet vervolgd worden. Er kunnen aansprakelijkheidsrisico’s volgen uit mogelijk gelopen gezondheidsrisico’s (samenhangend met de stort van het asbesthoudend materiaal en de mogelijke verwaaiing ervan).

Impact

· Negatieve gevolgen met betrekking tot publiciteit en imago.

· De kans bestaat dat de relatie tussen de provincie, Dordrecht en Delta onder druk komt te staan.

· Eventuele aansprakelijkheidsclaims kunnen financiële gevolgen hebben (de kans van optreden van deze claims worden gezien het feit dat de provincie of haar bestuurders en/of medewerkers niet als verdachte betrokken zijn beperkt geacht).

Maatregelen

Maatregelen zijn erop gericht om het vertrouwen tussen de betrokken partijen te herstellen. Als resultaat van intensief bestuurlijk overleg zijn / worden de volgende acties uitgevoerd:

1. Er is een onafhankelijk feitenonderzoek uitgevoerd en besproken in PS.

2. Periodiek worden er asbestmetingen gedaan om huidige risico’s expliciet en objectief te maken.

3. Er wordt structureel / intensief ingezet op communicatie met de omgeving; de stortactiviteiten zijn met ingang van 31 januari 2012 gestopt, maar de afwerking van de stortplaats dient nog plaats te vinden; het voorterrein doet nog dienst als bedrijventerrein.

Status

Het project Derde Merwedehaven en daarmee samenhangend de relatie met Delta en de gemeenten Dordrecht en Sliedrecht blijft vooralsnog een punt van aandacht en wordt strikt begeleid en aangestuurd. In 2023 wordt de stortplaats overgedragen aan de provincie.

26.

Doorlevering gronden aan TBO's

Omschrijving

De vereniging van particuliere grondeigenaren heeft een klacht ingediend bij de Europese Commissie met als strekking dat de subsidies die eerder zijn verstrekt in het kader van de zogeheten PNB-regeling voor terreinbeherende organisaties (TBO’s) in strijd zou zijn met de EU-regelgeving inzake staatssteun. Voor Zuid-Holland gaat het om subsidies die verstrekt zijn aan Zuid-Hollands Landschap en Natuurmonumenten. De Europese Commissie zal naar alle waarschijnlijkheid pas over enkele jaren uitspraak doen.

Impact

Als de Europese Commissie oordeelt dat sprake is van onverenigbare staatssteun, dan zal geëist worden dat het Rijk (naar nationaal recht) een bedrag terugvordert dat kan variëren van circa € 0,2 mld (bij geoorloofde staatssteun) en € 1,2 mld (bij ongeoorloofde staatssteun). Deze bedragen zijn inclusief gederfde rente. De uiteindelijke omvang is afhankelijk van de uitspraak van de Europese Commissie. Het Rijk zal deze vordering mogelijk neerleggen bij de provincies (als uitvoerder van de PNB-regeling). Het is niet bekend hoe de vordering verdeeld zal worden over de provincies. De provincies kunnen het ‘steunbedrag’ vorderen bij de TBO’s.

 

Dit heeft niet alleen grote financiële consequenties, maar kan ook beleidsmatige consequenties hebben als hiermee de continuïteit en kwaliteit van de taakuitoefening op het gebied van natuurbeheer in gevaar komt.

Maatregelen

De subsidieregeling Subsidie Landelijk Gebied (SLG) is inmiddels aangepast. Hiermee wordt voldaan aan de EU richtlijnen inzake staatssteun. Deze genoemde subsidieregeling is van toepassing op nieuw af te geven subsidiebeschikkingen.

Status

Provincies beraden zich in IPO-verband op de juridische positie en de te nemen stappen.

In mei 2013 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de advocaat van de vereniging van particuliere grondeigenaren (VGG) én het bestuur van de VGG en het IPO. Een vervolggesprek is gepland medio 2013 om te zoeken naar een oplossing voor de ontstane impasse. Stand van zaken is dat er nog steeds geen oplossing is, maar dat er wel sprake is van een groeiend begrip voor elkaars standpunten.

27.

Meerkosten als gevolg van bezwijken bijzondere constructies onder provinciale wegen en calamiteiten aan beweegbare kunstwerken

Omschrijving

Het risico kan als volgt worden omschreven:

· Bezwijken van bijzondere constructies waarop provinciale wegen zijn gebouwd.

· Calamiteiten aan beweegbare kunstwerken (veroorzaakt door een achterstand in onderhoud).

Impact

· De kosten als gevolg van het bezwijken van bijzondere constructies kunnen voor nu nog niet worden ingeschat.

· De kosten van een calamiteit aan een beweegbaar kunstwerk worden vooralsnog ingeschat op € 3,3 mln.

Maatregelen

· Een deel van de bijzondere constructies wordt momenteel al, waar nodig, gemonitord. Er zal nader onderzoek worden verricht naar alle bijzondere constructies. Vooralsnog is geen inschatting te geven van de maximale impact en kans van optreden.

· Onderzoek naar het aantal beweegbare kunstwerken met achterstallig onderhoud wordt momenteel uitgevoerd.

Status

Het onderzoek naar de beweegbare kunstwerken loopt nog door tot oktober 2013. Streven is om op basis van de onderzoeksresultaten het risico nader te kwantificeren. Aan het einde van 2013 zal een beheerssystematiek zijn uitgewerkt ten behoeve van de bijzondere constructies en beweegbare kunstwerken. Vervolgens kunnen in 2014 de verwachte onderhoudskosten in de nieuwe nota budgetbehoefte worden opgenomen.

28.

Inlenersaansprakelijkheidsrisico

Omschrijving

De inlenersaansprakelijkheid is gebaseerd op art. 34 van de Invorderingswet. Deze houdt in dat in sommige gevallen de inlener van personeel aansprakelijk kan zijn voor de loon- en omzetbelasting die door de uitlener (bijvoorbeeld een uitzendbureau) niet is afgedragen. Mocht bijvoorbeeld in geval van een faillissement het uitleenbedrijf nog een schuld hebben aan de Belastingdienst, dan kan de fiscus dat bedrag verhalen op bedrijven of instellingen waar het uitgeleend personeel heeft gewerkt. De inleners­aansprakelijkheid geldt daarom niet bij diensten die een ZZP’er voor Zuid-Holland verricht, zonder dat er een andere organisatie (zoals een uitzendbureau) tussen zit.

Impact

Het (rest)risico op de inlenersaansprakelijkheid is niet kwantificeerbaar. Door het ontbreken van ervaringscijfers, kan er geen schatting worden gegeven van de impact. Tot op heden zijn bij de provincie geen claims opgelegd met betrekking tot de inlenersaansprakelijkheid.

Maatregelen

De aansprakelijkheid is niet voor 100% af te dekken. Wel worden de volgende maatregelen genomen om het risico te beheersen:

· werken met erkende en/of gecertificeerde bedrijven;

· sluiten van goede raamcontracten waarbij bijvoorbeeld ook gekeken wordt naar de liquiditeitspositie van betreffende ondernemingen;

· hanteren van adequate, algemene voorwaarden.

Vooralsnog wordt er geen depotstelsel ingevoerd als maatregel om het risico te beheersen. Redenen hiervoor zijn de forse administratieve lasten van deze maatregel in relatie tot het te verwachten effect van de hierboven genoemde maatregelen.

Status

Er zijn geen claims ontvangen met betrekking tot inlenersaansprakelijkheid.

Op basis van de analyse van de reserves die bij Kadernota 2014-2017 is uitgevoerd wordt ingeschat dat circa 65% van de programmareserves juridisch niet beklemd is; uit deze analyse bleek echter ook dat het juridische niet-beklemde deel van de programmareserves vrijwel volledig bestuurlijk beklemd is; dat betekent dat deze middelen niet als weerstandscapaciteit kunnen worden ingezet zonder door bijvoorbeeld eerdere PS-besluiten en/of bestuurlijke afspraken met andere overheden te herzien.
IPPC (integrated pollution prevention control) verwijst naar de gelijknamige richtlijn van de EU, die bestaat uit een set regels om industriële installaties te controleren; BRZO staat voor bedrijven met een verhoogd risico op zware ongevallen.

Er zijn geen bijstellingen opgenomen voor dit onderwerp in de Voorjaarsnota 2014.

Er zijn geen bijstellingen opgenomen voor dit onderwerp in de Najaarsnota 2014.

 

1. Inleiding

Centraal in de paragraaf weerstandsvermogen en Risicobeheersing staat de vraag in welke mate de financiële po­si­tie van de provincie toe­reikend is om de financiële gevolgen van risico's op te kunnen vangen, indien deze zich voordoen.

Hierbij gaat om de risico's die van materiële betekenis kunnen zijn in relatie tot de financiële positie (bijvoorbeeld een korting op het Provinciefonds). Deze risico's worden afgezet tegen de weerstandscapaciteit van de provincie.

Dit betreft de middelen die de provincie beschikbaar heeft (bijvoorbeeld de algemene reserve) of kan maken (bij­voor­beeld verhoging van het opcententarief) om financiële gevolgen van risico's zonodig op te kunnen vangen

De paragraaf is als volgt opgebouwd:

  • Overzicht van de beleidskaders die relevant zijn voor de paragraaf

  • Samenvattend beeld van risico's en weerstandscapaciteit

  • Overzicht van risico's

 

2. Beleidskaders

Kaders voor de paragraaf zijn afkomstig uit:

  • Het Besluit Begroten en Verantwoorden (BBV): dit zijn regels vanuit het Rijk voor decentrale overheden;

  • De Financiële verordening (eigen beleid, door PS vastgesteld);

  • De beleidsnota weerstandsvermogen en risicomanagement (idem).

 
BBV

Het BBV omschrijft het weerstandsvermogen als "€œde relatie tussen de weerstandscapaciteit [....] en alle risico's waarvoor geen maatregelen zijn getroffen en die van materiële betekenis kunnen zijn in relatie tot de financiële po­sitie"€. De paragraaf moet deel uitmaken van zowel de begroting als de jaarrekening en tenminste informatie bevatten over de weerstandscapaciteit, relevante risico's en het beleid omtrent weerstandscapaciteit en risico's.

 
Financiële verordening/beleidsnota weerstandsvermogen en risicomanagement

De Financiële verordening schrijft voor dat Provinciale Staten tenminste eenmaal in de vier jaar beleid vaststellen omtrent weer­stands­vermogen en risicomanagement. De huidige beleidsnota is in mei 2012 door Provinciale Staten vastgesteld.

De beleidsnota weerstandsvermogen en risicomanagement bevat onder andere beleidsregels inzake:

  • Het gebruik van een standaard methodiek voor identificatie en beheersing van risico's;

  • De samenstelling van de weerstandscapaciteit;

  • De wijze waarop een beroep kan worden gedaan op de weerstandscapaciteit (alvorens een beroep kan wor­den gedaan op algemene middelen, dient eerst binnen het betreffend programma een oplossing te worden gezocht);

  • Een streefwaarde voor de omvang van het weerstandsvermogen.

 

3. Samenvattend beeld weerstandscapaciteit en risico's

Het provinciale beleid maakt een onderscheid tussen structurele en incidentele weerstandscapaciteit:

  • Structurele weerstandscapaciteit is bedoeld om structurele, financiële gevolgen op te vangen van eenmalige ge­beurtenissen (bijvoorbeeld een korting op het Provinciefonds) en van jaarlijks terugkerende gebeurtenissen (bijvoorbeeld scha­declaims inzake vergunningverlening en handhaving);

  • Incidentele weerstandscapaciteit is bedoeld om de incidentele, financiële gevolgen op te vangen van een­ma­li­ge ge­beurtenissen (bijvoorbeeld risico van afwaardering aandelen­ka­pitaal).

 
Structurele weerstandscapaciteit

De structurele weerstandscapaciteit bestaat uit:

  • De post onvoorzien binnen programma Middelen;

  • Het structurele deel van het begrotingssaldo;

  • De onbenutte belastingcapaciteit.

 

In de meerjarenbegroting is sprake van een positief begrotingssaldo. Dit is echter incidentele ruimte: in latere ja­ren is deze ruimte namelijk nodig voor dekking van oplopende kapitaal- en beheerlasten. Het huidige provinciale begrotingssaldo draagt dus in structurele zin niet bij aan de weerstandscapaciteit.

De onbenutte belastingcapaciteit is het verschil tussen de inkomsten uit de opcenten MRB op basis van het huidi­ge tarief en de inkomsten als Provinciale Staten het wettelijke maximum­ta­rief zouden heffen. Gedeputeerde Staten verkennen echter eerst bezui­ni­gings­mogelijkheden alvorens eventueel een beroep te doen op de onbenutte belastingcapaciteit.

 

In onderstaande tabel staat de omvang van de structurele weerstandscapaciteit weergegeven (ultimo 2014).

Structurele weerstandscapaciteit

(bedragen x € 1 mln)

Bedrag

Post onvoorzien

0,5

Begrotingssaldo (structureel)

0,0

Onbenutte belastingcapaciteit

50,0

Totaal

50,5

 

Er is een bedrag van € 50,5 mln beschikbaar aan structurele weerstandscapaciteit (hoofdzakelijk bestaand uit on­be­nutte belastingcapaciteit). De structurele, financiële gevolgen van risico's bedragen ruim € 19 mln.

De structurele weerstandscapaciteit is dus ruim voldoende om deze financiële gevolgen op te vangen. Tegenover elke euro aan risico's staat ruim € 2,50 aan structurele weerstandscapaciteit.

De structurele weerstandscapaciteit is fors lager dan in de begroting 2014. Oorzaak ligt in het feit dat er nu (op basis van de begroting 2015) rekening mee is gehouden dat het begrotingssaldo niet structureel, maar incidenteel is. Het begrotingssaldo is daarom wel meegenomen als incidentele weerstandscapaciteit.

 
Incidentele weerstandscapaciteit

De incidentele weerstandscapaciteit bestaat uit:

  • De algemene reserve (voor zover juridisch niet beklemd);

  • De programmareserves (idem);

  • Het rekeningresultaat (idem).[6]

Daarnaast maakt ook het begrotingssaldo de facto deel uit van de incidentele weerstandscapaciteit. Het begro­tings­­saldo heeft immers een incidenteel en geen structureel karakter.

 

In onderstaande tabel staat de omvang van de incidentele weerstandscapaciteit weergegeven (ultimo 2014).

Incidentele weerstandscapaciteit

(bedragen x € 1 mln)

Totaalstand

minus juridisch verplicht

Algemene reserve

68,6

Rekeningresultaat 2014

15,3

Programmareserves

316,2

Begrotingssaldo 2015-2018[7]

83,5

Totaal

483,6

Er is een bedrag van € 483,6 mln beschikbaar aan incidentele weerstandscapaciteit (dit bestaat hoofdzakelijk uit het juridisch niet-verplichte deel van de programmareserves). De incidentele, financiële gevolgen van risico's bedragen ruim € 22 mln. De incidentele weerstandscapaciteit is dus ruim voldoende om de incidentele, financiële gevolgen van risico's op te vangen. Tegenover elke euro aan risico's staat een bedrag van bijna € 22, - aan incidentele weerstandscapaciteit.

 

4. Overzicht van risico's

Voor zowel de begroting als de jaarrekening vindt er een inventarisatie plaats van voor de paragraaf weerstandsvermogen en Risicobeheersing relevante risico's. Het gaat hierbij om risico's die van materiële betekenis kunnen zijn in relatie tot de financiële positie.

In onderstaande tabel staat aangegeven om welke risico's het ultimo 2014 gaat. Vervolgens wordt elk risico afzonderlijk toegelicht.

In 2014 zijn de volgende risico's toegevoegd aan de paragraaf:

  • Afschaffen forfaitaire index BDU (zie risico 23).

  • Ontwikkelingen loonkosten: exogene ontwikkelingen in cao-afspraken, werkgeverslasten (zie risico 28).

  • Risico's regeling Individueel Keuze Budget (IKB) (zie risico 29).

  • De risico's uitbetalen obligaties (nr. 30), sloopkosten voormalige bunker (nr. 31) en restitutie ontgrondingen­heffing (nr. 32) stonden bij de Begroting 2014 vanwege de beperkte materiële omvang nog in de Pro­ductenrealisatie. Omdat het maar drie risico's betreft zijn deze alsnog in het boekwerk van de jaar­re­kening opgenomen.

 

In 2014 is het volgende risico komen te vervallen:

  • Ontwikkeling bezuiniging regionale omroepen

In onderstaande tabel staan de risico's die zijn geïnventariseerd voor de paragraaf weerstandsvermogen (stand ul­ti­mo 2014). Per risico wordt aangegeven wat de financiële gevolgen zijn, of deze structureel of incidenteel van aard zijn en op welk begrotingsdoel het risico betrekking heeft. De financiële gevolgen worden berekend door de maximale schade te vermenigvuldigen met de kans van optreden van het risico.

 
Tabel 1: informatie over risico's
 

Structureel/
incidenteel

Max. Schade

(bedragen

x € 1 mln)

Kans van

optreden

Omvang/

-jaar

(bedragen

x € 1 mln)

Begrotingsdoel

1.

Lagere uitkering Provinciefonds

s

> 20,0

25-50%

7,5

6.1

2.

Lagere opbrengsten MRB

s

3,3

25-50%

1,2

6.2

3.

Schadeclaims vergunningverlening voor ontgrondingen

s

10,0

0-25%

1,3

2.4

4.

Gevolgen waardeontwikkeling grondaandeel Zuidplas

i

17,0

0-25%

2,1

5.2

5.

  • financiële risico's EHS

  • financiële risico's recreatiegebieden

s

s

3,5

PM

50-75%

PM

2,0

PM

1.4

1.3

6.

Afvalverwerkende en BRZO/IPPC-bedrijven kunnen niet meer aan vergunningplicht voldoen

i

15,0

0-25%

1,9

2.4

7.

Garantstelling personenvervoer over water

i

7,3

0-25%

0,9

2.3

8.

Risico deelname GR Midden-Delfland

s

15,0

0-25%

1,9

1.3

9.

Deelname Ontwikkelingsmaatschappij Nieuw Westland

i

1,4

75-100%

1,2

3.4

10.

Betwisten subsidiabiliteit EU-subsidies:

  • lopende projecten

  • inmiddels afgeronde projecten

 

i

i

 

10,1

14,8

 

0-25%

≈ 0

 

1,3

0,0

 

3.4

3.4

11.

Niet tot uitvoering komende infrastructurele projecten

i

7,5

0-25%

0,9

2.2

12.

Renterisico

s

2,0

25-50%

0,8

1-6

13.

Omgevingsrisico's vergunningverlening en handhaving

s

5,0

0-25%

0,6

2.4

14.

Maatregelen Rijk EMU-saldo

i

100,0

0-25%

12,5

6.1

15.

Onvoldoende middelen voor nazorg gesloten stortlocaties (nog niet overgedragen stortplaatsen)

i

21,2

≈ 0

0,0

3.3

16.

Meerkosten PMR 750 ha

i

15,3

≈ 0

0,0

1.3

17.

Deelname risico ROM-D Capital BV

i

10,0

≈ 0

0,0

3.4

18.

Deelname risico InnovationQuarter

i

10,0

≈ 0

0,0

3.4

19.

Geen aflossing gegarandeerde leningen derden

i

3,7

≈ 0

0,0

6.1

20.

Onvoldoende solvabiliteit/liquiditeit regionale omroepen

i

1,2

≈ 0

0,0

4.6

21.

Herinrichting Meeslouwerplas

i

4,4

PM

PM

1.2

22.

Noodzakelijk beroep aansprakelijkheidsverzekering

i

3,0

25-50%

1,2

1.6

23.

Afschaffen forfaitaire index BDU

s

1,4

75-100%

1,2

2.3

24.

Derde Merwedehaven

i

PM

0-25%

PM

2.4

25.

Inlenersaansprakelijkheidsrisico

i

n.b.

0-25%

PM

1-6

26.

Doorlevering gronden TBO's

i

PM

n.t.b.

PM

1.3

27.

Meerkosten als gevolg van bezwijken oeverconstructies aan provinciale vaarwegen

s

n.t.b.

n.t.b.

PM

2.1

28.

Ontwikkeling loonkosten (stijging werkgeverslasten en CAO)

s

3,3

75-100%

2,9

1-5

29.

Risico's regeling IndividueelKeuzeBudget (IKB)

s

1,4

n.t.b.

PM

1-5

30.

Uitbetalen obligaties uitgegeven in 1957 en 1959

i

0,4

0-25%

0,1

6.1

31.

Sloopkosten voormalige provinciale bescherming bevolking (BB) bunker

i

0,5

≈ 0

0,0

1.3

32.

Restitutie ontgrondingheffing

i

0,1

50-75%

0,1

2.4

 

Totaal structurele risico's

     

19,4

 
 

Totaal incidentele risico's

     

22,2

 


1.

Lagere uitkering Provinciefonds

Omschrijving

Risico is dat de inkomsten uit het Provinciefonds afwijken van wat in de begroting geraamd is. Oorzaken zijn:

  • Eenzijdige, generieke korting van het Rijk;

  • Ontwikkelingen in het accres (het Provinciefonds is via het zogenaamde accres gekoppeld aan de ontwikkeling van de rijksuitgaven);

  • Ontwikkelingen in de zogenaamde verdeelmaatstaven (voorbeeld: aantal inwoners);

  • Effecten van taakmutaties;

  • Verrekening van de effecten van onder-/overschrijdingen van het plafond van het BTW-Compensatiefonds (vanaf 2015).

Impact

De impact van dit risico kan sterk variëren van enkele tonnen tot meer dan € 20 mln structureel.

Maatregelen

  • Op de voet volgen van ontwikkelingen (bijvoorbeeld uit de rijksbegroting);

  • Betrokkenheid via het IPO bij onder andere verdeelvraagstukken;

  • Hanteren behoedzaamheid bij het ramen van de inkomsten uit het Provinciefonds (€ 1,5 mln).

Status

Ten opzichte van de gewijzigde begroting (Najaarsnota 2014) vallen de inkomsten uit de algemene uitkering € 0,5 mln lager uit. De Meicirculaire 2015 bevat de definitieve stand van de algemene uitkering over 2014. Op basis van de Najaarsnota 2014 van het Rijk zijn er aanwijzingen dat er in 2014 sprake zal zijn van onderuitputting op de rijksbegroting met een nadelig effect op het accres.

In de Meicirculaire 2015 is hierover meer duidelijk.

Het IPO wil bekijken of provincies tezamen tot een transparanter verdeelmodel kunnen komen voor het Provinciefonds. Aanleiding hiervoor is mede de toevoeging van middelen voor groen en verkeer & vervoer aan het Provinciefonds, waardoor de omvang van het fonds meer dan verdubbelt. In 2015 gaat een externe, onafhankelijke commissie hier advies over uitbrengen.

2.

Lagere opbrengsten Motorrijtuigenbelasting (MRB)

Omschrijving

Risico is dat de inkomsten uit de opcenten lager uitvallen dan geraamd.

Bepalend voor de omvang van de inkomsten zijn het aantal belastingplichtige auto's, het gemiddelde gewicht en het betaalgedrag van de belastingplichtigen. Deze variabelen zijn weer afhankelijk van macro-economische factoren (zoals de koopkracht van gezinnen), maatschappelijke ontwikkelingen (veranderende voorkeuren) en wet- en regelgeving (mate waarin sprake is van vrijstellingen).

De inkomsten uit de opcenten nemen de komende jaren gemiddeld toe met 0,5% per jaar. Oorzaak is een lichte groei van het aantal auto's en het gemiddelde gewicht.

Impact

Ten opzichte van eerdere jaren is de onzekerheid beperkt. De effecten van het (grotendeels) opheffen van de vrijstellingen zijn bekend en verwerkt in de ramingen. Het economisch herstel zorgt vooralsnog voor een lichte groei van het aantal auto's en het gemiddelde gewicht.

De resterende onzekerheid wordt bepaald doordat voorkeuren van mensen kunnen veranderen (mede gevoed door de economische crisis). Als bijvoorbeeld de koopkracht toeneemt, kunnen mensen zwaardere auto's gaan aanschaffen (opwaarts effect op de inkomsten uit de opcenten). Een andere mogelijkheid is dat mensen juist lichtere auto's gaan aanschaffen door hoge benzineprijzen (neerwaarts effect op de inkomsten).

Verder speelt nog dat de opbrengst gebaseerd is op de werkelijke ontvangsten van de belastingdienst (kasstelsel). Een afwijkend betaalbedrag aan het einde van een jaar kan van invloed zijn op de gerealiseerde opbrengst.

In de raming van de inkomsten wordt rekening gehouden met een behoedzaamheidsmarge van 1% (dit staat voor een bedrag van circa € 3,3 mln).

Maatregelen

  • Ontwikkelingen in het wagenpark worden op de voet gevolgd (op basis van de gegevens van de belastingdienst);

  • Maandelijks rapporteert de belastingdienst over de werkelijk ontvangen inkomsten;

  • Bij het ramen van de inkomsten wordt een behoedzaamheidsmarge gehanteerd van 1% (dit staat gelijk aan € 3,3 mln).

Status

In de Najaarsnota 2014 is de behoedzaamheidsmarge vrijgevallen vanwege de feitelijke ontwikkeling van de inkomsten. In de Jaarrekening 2014 blijkt dat er sprake is van een zeer kleine afwijking van de uiteindelijke inkomsten ten opzichte van de stand bij de Najaarsnota (namelijk € 0,3 mln - dit staat voor circa 0,1% van de totale inkomsten uit de opcenten).

3.

Schadeclaims vergunningverlening voor ontgrondingen

Omschrijving

In de Ontgrondingenwet is een regeling voor nadeelcompensatie opgenomen. Nadeelcompensatie houdt in dat de overheid aan belanghebbenden de schade vergoedt die zij ondervinden van een op zichzelf rechtmatig overheidsbesluit. De regeling in de Ontgrondingenwet houdt in dat de provincie aan de aanvrager van de vergunning of aan andere belanghebbenden de schade moet vergoeden die deze lijden als gevolg van een ontgrondingsvergunning, indien deze schade redelijkerwijs niet voor hun rekening hoort te blijven. Ook buiten het geval van nadeelcompensatie is het mogelijk dat de provincie wordt geconfronteerd met een claim van schade die is ontstaan als gevolg van een vergunde ontgronding. In het bijzonder bij grote actuele ontgrondingen, zoals zandwinningen, is het risico op schade aan de omgeving reëel aanwezig.

Impact

Per geval kan de schadeclaim hoog zijn. Dit wordt beïnvloed door de aard en de omvang van de ontgronding en het karakter van de omgeving. Voor een grote zandwinning moet de omvang van de mogelijk te vergoeden schade worden gesteld op circa € 10 mln.

Maatregelen

De vergunningverlening is sinds 1 januari 2013 ondergebracht bij Omgevingsdienst Haaglanden; toezicht en handhaving gebeuren door de omgevingsdienst waarbinnen de desbetreffende ontgronding plaatsvindt. Beperking van dit risico door de provincie vergt adequaat toezicht op een zorgvuldige uitvoering van deze taken door de omgevingsdienst.

Status

Het betreft hier een doorlopend risico. In 2014 heeft de Raad van State uitspraak gedaan inzake Zevenhuizerplas ten gunste van de provincie. Afwijzing vordering derden-belanghebbenden in verband met ambtshalve wijziging ontgrondingenvergunning.

4.

Gevolgen waardeontwikkeling grondaandeel Zuidplas

Omschrijving

De provincie neemt voor 40% deel aan de Gemeenschappelijke Regeling (GR) Grondbank Rotterdam Zoetermeer Gouda (RZG) Zuidplas. Deze gronden zullen ten behoeve van de beoogde gebiedsontwikkeling worden verkocht. De ontwikkeling zal geleidelijk plaatsvinden over een periode tot zeker 2030. De bezittingen van de Grondbank liggen voor een aanzienlijk deel in de deelgebieden die pas na 2025 aan de orde zal komen. De opbrengst van de verkoop is onzeker, het risico bestaat dat de daadwerkelijke waarde van de bij de Grondbank in eigendom zijnde grond lager is dan de boekwaarde, maar het is ook goed mogelijk dat de verkoop leidt tot een hogere opbrengst dan de boekwaarden. Omdat de boekwaarden van alle gronden nu hoger is dan de taxatiewaarde heeft de Grondbank een negatieve algemene reserve. Dit is toegestaan mits er voldoende perspectief is op herstel. Op grond van de in opdracht van de ROZ en Grondbank uitgevoerde berekeningen is geconstateerd dat dit perspectief er (deels) is. De onzekerheden en afhankelijkheden zijn echter zeer groot. Nieuwe ontwikkelingen in de Zuidplas kunnen overigens op termijn zowel een positief als een negatief effect hebben op de waardeontwikkeling van de gronden. Ook kan aanpassing van het provinciaal ruimtelijk beleid ertoe leiden dat op deelgebieden bepaalde ontwikkelingen niet meer wenselijk zijn. Dit kan leiden tot verminderde opbrengst bij verkoop.

Impact

Per 1 januari 2015 bezit de Grondbank circa 301 ha grond met een boekwaarde van circa € 97 mln. De provincie is voor 40% risicodragend. De GR Grondbank blijft in ieder geval tot 1 januari 2020 bestaan. Bij de berekening van de maximale waardedaling wordt uitgegaan van een situatie waarin de waarde van de grond daalt tot agrarische waarde. Deze maximale waardedaling is aanvullend op het bedrag waarvoor al een voorziening is getroffen.

Maatregelen

  1. Elk jaar wordt 1/3 deel van de gronden opnieuw getaxeerd door een onafhankelijke taxateur. De uitkomst wordt geëxtrapoleerd naar het totale grondbezit. Eventuele waardedalingen of -stijgingen worden verrekend met de deelnemers. Op grond van de eind 2014 uitgevoerde taxaties is geconstateerd dat de marktwaarde € 30 mln lager lag dan de boekwaarde. Dit bedrag is ten opzichte van eind 2013 niet gewijzigd. Bij de Grondbank is daardoor sprake van een negatieve algemene reserve van € 30 mln; de provincie heeft hiertoe bij Jaarrekening 2011 een verliesvoorziening getroffen van € 12 mln (op basis van het provinciale aandeel in het risicodragend deel).

  2. Het bestuur van de Grondbank stelt periodiek een UitnamestrategieKader vast. Hierin zijn onder andere het beleid voor gronduitgifte, het beheer en de stimulering van gebiedsontwikkeling vastgelegd.

  3. Het risico kan daarnaast beheerst worden door het in ontwikkeling brengen van gronden op basis van de afspraken die de samenwerkende partijen daarover maken.

  4. Gronden op basis van het ruimtelijk beleid niet in aanmerking komen voor verdere ontwikkeling worden door de Grondbank afgestoten.

Vanaf 2012 worden de rente- en organisatiekosten niet meer aan de boekwaarde toegerekend, maar verwerkt in de deelnemersbijdrage. Hiertoe neemt de boekwaarde niet verder toe.

Status

In de Visie Ruimte en Mobiliteit is de Zuidplaspolder als gewenste locatie voor het opvangen van de bovenregionale behoefte aan bedrijventerreinen en aan landelijke en dorpse woonmilieus herbevestigd. Daardoor blijft ontwikkeling op het grootste deel van de gronden van de Grondbank voor het oorspronkelijke doel mogelijk. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft in haar rol als toezichthouder op de GR Grondbank aangegeven dat ze ervan uitgaat dat uiterlijk in 2018 de negatieve algemene reserve weer positief is om de risico's van de grondbank te kunnen opvangen.

5.

Financiële risico's ontwikkelopgave EHS/recreatiegebieden

Omschrijving

Risico is dat de provincie niet tijdig voldoende middelen beschikbaar heeft om de ontwikkelopgave voor de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) te kunnen realiseren. Voor de provincie geldt een inspanningsverplichting met betrekking tot de realisatie van de EHS.

Na het Decentralisatieakkoord natuur (eind 2011 afgesloten tussen Rijk en provincies) heeft Zuid-Holland de EHS herijkt. Prioriteit van de herijkte EHS ligt (gezien de omvang van de beschikbare middelen) bij het aanleggen en beheren van natuurgebieden, waarbij sprake is van noodzakelijkheid voor het behalen van internationale verplichtingen. Voor de periode 2011 tot en met 2027 is een bedrag van € 257,8 mln beschikbaar voor verwerving en inrichting.

Het aandeel van Zuid-Holland in de middelen die provincies uit het Provinciefonds ontvangen op basis van het Natuurpact 2013 is bepaald op basis van het advies van Janssen 2.

De ontwikkelopgave EHS is in januari 2014 door Provinciale Staten via de uitvoeringsstrategie EHS vastgesteld en in december 2013 via een wijziging van de Provinciale Structuurvisie planologisch vastgelegd. Deze besluiten vormen de basis voor het provinciale beleid voor EHS.

De uitvoering van de EHS wordt gedekt met (via het Provinciefonds) gedecentraliseerde middelen, beschikbare ruilgronden, overige provinciale middelen en bijdragen van regionale gebiedspartijen.

Naast risico's op het gebied van EHS speelt nog een risico op het terrein van recreatie en de bufferzone gronden (300 ha binnen begrenzing), die buiten de afspraken met EZ blijven vanwege eigendom bij het ministerie I&M.

Impact

De impact van het risico heeft betrekking op het (tijdig en in voldoende mate) beschikbaar komen van:

  1. Middelen voor de ontwikkelopgave EHS: middelen via het Provinciefonds komen later beschikbaar dan eerder voorzien; de bijdrage over 2014 en 2015 valt lager uit, wat in 2016 en 2017 wordt gecompenseerd door een hogere bijdrage;

  2. Middelen voor het beheer van EHS: afgesproken is dat het Rijk voor 2/3 (via het Provinciefonds) bijdraagt aan de beheerlasten en de provincies voor 1/3 deel; in verband met het beheer kan er een tekort ontstaan dat oploopt tot € 3,5 mln. Conform bestaande afspraken dient de dekking hiervoor eerst binnen het bestaande programma gevonden te worden. Voor een bedrag van circa € 1,5 mln kan dekking worden gevonden, voor het resterende bedrag van € 2 mln structureel dient voor de langere termijn (na 2017) een oplossing te worden gevonden;

  3. Voor een aantal beheermaatregelen (zoals faunabeheer, Programmatische Aanpak Stikstof, uitvoeringskosten beheersubsidies en uitvoering Natuurbeschermingswet) loopt de provincie het risico van incidentele tegenvallers. Daarbij komt dat nog niet duidelijk is of er voldoende EU-middelen beschikbaar zijn voor de additionele taak agrarisch natuurbeheer. De subsidieperiode 2015-2021 (POP3) is rond de jaarwisseling 2014 vastgesteld.

  4. Maximale verwervingskosten bufferzone gronden worden getaxeerd op € 11,5 mln (landbouwgrond), Dit bedrag is niet betrokken bij de Uitvoeringsstrategie EHS en afwikkeling RodS, omdat gronden al door het Rijk verworven zijn. Naar verwachting zal niet alle grond aangekocht hoeven te worden, zodat het werkelijke risico lager is.

Maatregelen

De volgende beheersmaatregelen zijn/worden genomen:

  • Conform de Uitvoeringsstrategie EHS geldt het uitgangspunt dat doelen en middelen in balans dienen te zijn, dit geldt inclusief het beheer van nieuwe natuurgebieden; in de realisatiestrategie EHS worden drie fasen onderscheiden (2013-2016, 2017-2021 en 2021-2027) met elk een eigen ijkpunt met als doel om weloverwogen keuzes te kunnen maken ten aanzien van de inzet van middelen in relatie tot de beschikbaarheid ervan en de programmering. Provinciale Staten hebben bij besluit tot de vaststelling van de Uitvoeringsstrategie EHS 2013, het geld van € 75 mln voor de periode 2013-2016 beschikbaar gesteld;

  • De genoemde incidentele risico's kunnen worden beperkt door heldere afspraken te maken met partijen, waarbij eventueel in nieuwe overeenkomsten taakstellende budgetten worden afgesproken. Dit geldt eveneens voor de EU-middelen voor agrarisch natuurbeheer. Nieuwe overeenkomsten worden voorbereid. Wanneer de bijdragen van regionale partijen in de periode 2013-2016 achterblijven, zal de programmering voor de periode 2017-2021 worden aangepast.

  • In overleg met het Rijk wordt onderzocht welke keuze gemaakt kunnen worden, variërend van aankoop tegen landbouwwaarde of natuurwaarde tot verkleinen van de opgave RodS.

Status

De afronding van het Recreatie om de Stad (RodS)-programma kan leiden tot een toename van de beheerlasten op korte of lange termijn, omdat mogelijk niet voor alle gebieden de overdracht van de provinciale verantwoordelijkheid geregeld zal kunnen worden met een afkoopsom van het beheer. Dit is dus nog een onzekerheid voor de (nabije) toekomst.

6.

Afvalverwerkende bedrijven en BRZO/IPPC-bedrijven kunnen niet meer aan vergunningplicht voldoen

Omschrijving

De provincie is onder meer bevoegd gezag voor de vergunningverlening aan afvalverwerkende bedrijven en is in die hoedanigheid maatschappelijk verantwoordelijk voor de gevolgschade als dergelijke bedrijven niet meer aan de vergunningsplicht kunnen voldoen. Dit kan zich met name voordoen ingeval van een faillissement en/of calamiteiten (zoals brand). Bij gevolgschade kan gedacht worden aan de kosten van verwijdering van afvalstoffen of sanering. Deze verantwoordelijkheid geldt ook voor BRZO/IPPC-bedrijven. Het gaat hierbij om bedrijven met een verhoogd risico op zware ongevallen (v.b. chemische bedrijven).

Impact

Op basis van het aantal potentiële bedrijven waar het om gaat wordt de maximale schade ingeschat op € 15 mln (circa € 0,1 mln per bedrijf).

Maatregelen

Met ingang van 2013 vindt het toezicht op betreffende bedrijven plaats vanuit de omgevingsdiensten:

  • Door goed toezicht te houden en scherp te handhaven op naleving van de voorschriften voor omvang en soorten afval, wordt het risico beperkt tot de vergunde afvalstoffen.

  • De BRZO/IPPC-bedrijven worden periodiek gecontroleerd op de wijze van opslag van de (gevaarlijke) stoffen. Verder wordt in het stadium van vergunningverlening extra gelet op de dekkingsgraad van de milieuaansprakelijkheidsverzekering. Indien de provincie (buiten haar schuld) opdraait voor de (verwijderings)kosten kan (deels) een beroep worden gedaan op de provinciale aansprakelijkheidsverzekering.

Status

Het betreft hier een doorlopend risico. Door de wijze waarop toezicht wordt gehouden en het feit dat het risico zich afgelopen jaren niet heeft voorgedaan, wordt de kans van optreden als klein inge­schat.

7.

Garantstelling Contract Personenvervoer over Water (POW)

Omschrijving

Het Contract Personenvervoer over Water (POW) betreft een veerverbinding tussen Dordrecht en Rotterdam en binnen de Drechtsteden. Dit contract is op 1 januari 2010 afgesloten. Hierin is opgenomen dat de in te zetten schepen aan het einde van de contractperiode overgaan naar de nieuwe vervoerder tegen het voorgeschreven restant van de boekwaarde van € 3 mln in 2021. Tegenover de vreemdvermogenverstrekker staat de provincie garant voor het verschil tussen de opbrengst en de boekwaarde van de schepen bij tussentijdse beëindiging vanwege betalingsproblemen van de vervoerder. Deze garantstelling is in 2014 nog eens bevestigd. Dit naar aanleiding van een wijziging van de financieringsovereenkomst tussen de vervoerder en de vreemdvermogenverstrekker.

Impact

Maximale impact van het risico op basis van stand ultimo 2014 is € 7,3 mln.

Maatregelen

In de aanbestedingsleidraad zijn door de provincie diverse aanvullende maatregelen opgenomen die de kans op een succesvolle exploitatie van POW vergroten.

Status

Het contract is met ingang van 1 januari 2010 ingegaan.

8.

Risico deelname gemeenschappelijke regelingen: GR Midden-Delfland

Omschrijving

De provincie loopt bij alle gemeenschappelijke regelingen (GR) financiële risico's, omdat zij naar rato van de deelneming kan worden aangesproken op financiële tekorten. Deze tekorten kunnen ontstaan op het moment dat het weerstandsvermogen van de betreffende regeling van onvoldoende omvang is om de financiële risico's af te dekken.

Bij het recreatieschap Midden-Delfland speelt het volgende. Het Rijk heeft aangegeven uit te willen treden uit deze GR. Vanuit de GR is de uittreedvergoeding in 2012 berekend op € 50 mln in geval het (uitvoerings)beleid niet kan worden bijgesteld. Tegen deze vergoeding heeft het Rijk formeel bij de rechtbank beroep aangetekend. De Rechtbank heeft zich in de uitspraak geschaard achter de noodzaak het beleid te herijken en heeft de beslissing op bezwaar van het Recreatieschap vernietigd. Tegen deze uitspraak is het Recreatieschap in hoger beroep gegaan bij de Raad van State.

Eind 2014 heeft naar aanleiding van deze beroepsprocedure onderzoek plaatsgevonden naar de mogelijkheden om het beleid bij te stellen. Er manifesteert zich een risico als met het Rijk geen overeenstemming wordt bereikt over het betalen van de uittreedvergoeding. Dit is aan de orde indien de GR niet in staat blijkt te zijn om de structurele uitgaven zodanig te beperken, dat de financiële gevolgen hiervan binnen de eigen begroting kunnen worden opgevangen.

Impact

Voor Zuid-Holland is de maximale impact € 15 mln (dat is het bedrag van € 50 mln naar rato van de deelname van Zuid-Holland in deze GR). De kans van optreden wordt ingeschat als beperkt.

Maatregelen

Er is een uittreedvergoeding bepaald die kostendekkend is; Indien nodig/mogelijk zullen herpriorite­rings­maatregelen getroffen moeten worden om de individuele deelnemersbijdrage niet te laten stij­gen.

Status

Door het Rijk is een juridische procedure gestart tegen het besluit van de Midden-Delflandraad. Op 14 april 2014 heeft de Rechtbank uitspraak gedaan. Tegen deze uitspraak heeft het Recreatieschap Midden-Delfland op 26 mei 2014 hoger beroep ingesteld. In de loop van 2015 zal de Raad van State naar verwachting uitspraak gaan doen over de hoogte van de (bijgestelde) uittreedver­goe­ding.

9.

Deelname risico Ontwikkelingsmaatschappij Het Nieuwe Westland (ONW)

Omschrijving

De provincie Zuid-Holland neemt deel in de Ontwikkelingsmaatschappij Het Nieuwe Westland (ONW), een publiek-private samenwerking, waarin verder de gemeente Westland, het Hoogheemraadschap Westland en BNG Gebiedsontwikkeling participeren. De ONW is bedoeld als instrument om de ambities van het Integraal Ontwikkelingsprogramma Westland (IOPW) te realiseren, waaronder een aantal woningbouwlocaties. Ten gevolge van de kredietcrisis staan de resultaten onder druk en beperkt ONW zich meer en meer tot slechts het realiseren van de woningbouwlocaties. De risico's zijn aanzienlijk met name omdat al grote grondposities zijn ingenomen, deels ondergebracht bij de gemeente Westland, deels rechtstreeks bij de ONW.

Impact

Uittreden kan grote financiële consequenties hebben die op kunnen lopen tot de omvang van het aandelenkapitaal van Zuid-Holland. Dit is een bedrag van € 1,4 mln (het volledige bedrag is inmiddels volgestort).

Maatregelen

Er is geen acute aanleiding om uit te treden en daarmee het verlies volledig te nemen.

Gezien de huidige markt voor woningbouw is sprake van een hoog risicoprofiel met betrekking tot de waardeontwikkeling van het aandelenkapitaal.

Status

Zie maatregelen.

10.

De Europese Commissie kan subsidiabiliteit van uitgaven betwisten

Omschrijving

De provincie loopt bij Europese projecten (voor de onderdelen waarvoor zij eindverantwoordelijk is) het risico dat uitgaven achteraf als niet-subsidiabel worden aangemerkt, omdat niet voldaan is aan administratieve eisen. Dit blijkt bij toetsing van uitgaven op basis van voortgangs- en eindrapportages. Het maximale risico is het relatieve aandeel van de Europese subsidie in de gemaakte en nog niet gecontroleerde en gecertificeerde uitgaven. Daarnaast bestaat bij een afgesloten Europees subsidieproject het risico dat achteraf uitgaven ten behoeve van het project niet-subsidiabel worden geacht naar aanleiding van een controle. Subsidies kunnen dan, zelfs vijf jaar na afsluiting van het subsidieprogramma, worden teruggevorderd. Het teruggevorderde bedrag kan oplopen tot 50% van de totale omvang van de projectkosten.

Impact

  • Voor de lopende projecten 2007 tot en met 2014 bedraagt de maximale impact een bedrag van € 10,1 mln; het betreft hier de ontvangen voorschotten voor de nog niet afgerekende kosten.

  • Het risico dat er achteraf uitgaven worden betwist betreft alle Europese financiering die Zuid-Holland in de lopende periode (2007-2014) heeft ontvangen voor Kansen voor West, Interreg en het Zevende Kaderprogramma. Het betreft een bedrag van € 14,8 mln.

Maatregelen

  • Bewaking van de subsidiabiliteit van uitgaven door goede projectvoorbereiding en -selectie.

  • Voortdurende bewaking van de procedures voor het indienen van tussentijdse declaraties.

  • Zorgdragen voor een goede archivering van al afgerekende projecten naar de maatstaven van de Europese Commissie.

Status

Voor de periode 2007 tot en met 2014 zijn momenteel drie projecten van de provincie in uitvoering (aardgasvulpunten, walstroom Zuid-Holland, Clusterregeling ZH). Het steunpunt subsidies van de provincie bewaakt op actieve wijze dat voldaan wordt aan de eisen van de Europese Unie.

11.

Niet tot uitvoering komen grote infrastructurele projecten

Omschrijving

De plan- en voorbereidingskosten van projecten groter dan € 1 mln uit het meerjarenprogramma Investeringen Provinciale Infrastructuur (MPI) worden op basis van het Besluit Begroten en Verantwoorden provincies en gemeenten (BBV, art. 60) geactiveerd en in vijf jaar afgeschreven. Indien projecten onverhoopt niet worden gerealiseerd, dienen de gemaakte plan- en voorbereidingskosten te worden afgewaardeerd en komen dan in één keer ten laste van de exploitatie.

Impact

De vele partijen, de vaak uiteenlopende belangen, de grote mate van complexiteit, de forse investeringen, maar ook de regelgeving op het gebied van onder andere luchtkwaliteit, geven een mate van onzekerheid aan deze grote projecten, waarvan de totale plan- en voorbereidingskosten vele miljoenen bedragen. Hier staat als financieel voordeel tegenover dat er geen kapitaallasten optreden, noch vanwege plan- en voorbereidingskosten, noch vanwege de realisatie van het project. De boekwaarde van deze plan- en voorbereidingskosten bedraagt ultimo 2014 € 7,5 mln.

Maatregelen

Door met de provincie en alle betrokken partijen bestuursovereenkomsten aan te gaan waarbij ook afspraken gemaakt worden over de gang van zaken bij ernstige vertragingen of het niet realiseren van het project, worden zekerheden verkregen. Als het risico zich voordoet zal het worden opgevangen binnen de reserves met betrekking tot infrastructuur.

Status

Is een doorlopend risico, omdat zich jaarlijks projecten in de plan- en voorbereidingsfase bevinden.

12.

Renterisico

Omschrijving

De provincie trekt langlopende leningen aan om in de eigen financieringsbehoefte te voorzien. De financieringsbehoefte zal de komende jaren naar verwachting toenemen door de afloop van bestaande leningen, de omvang van voorgenomen investeringen en de afname van eigen financieringsmiddelen (door de geraamde benutting van reserves en voorzieningen). De jaarlijkse kosten van de financieringsbehoefte (rentelasten) worden bepaald door de omvang van de bestaande leningenportefeuille, de financieringsbehoefte als gevolg van voorgenomen investeringen en de van toepassing zijnde rentetarieven.

Impact

In 2014 heeft zich geen renterisico voorgedaan omdat gedurende het verslagjaar voldoende liquiditeiten beschikbaar waren. Gezien de voorgenomen investeringen van Zuid-Holland zal er naar verwachting in 2016 weer een financieringsbehoefte ontstaan. Doordat er op de middellange termijn een grote financieringsbehoefte is stijgt het renterisico voor de provincie Zuid-Holland. Bij een netto jaarlijkse financieringsbehoefte van circa € 200 mln en een stijging van de rente van 1% bedraagt de toename van de rentelasten jaarlijks structureel circa € 2 mln.

Maatregelen

Via het zogeheten renteomslagpercentage worden de rentelasten toegerekend aan de programma's waarvoor sprake is van een financieringsbehoefte. Het renteomslagpercentage wordt berekend op basis van de uitgangspunten van de door Provinciale Staten vastgestelde beleidsnota kostprijs- en renteberekening. Verder wordt de financieringsbehoefte periodiek meerjarig bepaald en wordt beoordeeld of incidenteel dan wel structureel tot afdekking van het renterisico dient te worden overgegaan.

Status

Zie omschrijving.

13.

Omgevingsrisico's vergunningverlening en handhaving

Omschrijving

Vergunningverlening en handhaving kennen altijd omgevingsrisico's. Het is een politiek gevoelig beleidsveld. De betrokkenheid van burgers en externe partijen en daarmee de beïnvloeding van externen bij de uitvoering van de werkzaamheden is groot. In het kader van de besluitvorming lopen de omgevingsdiensten dan wel de provincie dan ook altijd juridische risico's. Tegen menig besluit wordt bezwaar dan wel beroep aangetekend. Verder kunnen claims als gevolg van economische, milieu- of gezondheidsschade leiden tot extra kosten voor de provincie. Het nemen van bestuurlijk gecalculeerde risico's hoort een onderdeel te zijn van vergunningverlening en toezicht- en handhavingsbeleid.

Impact

Het terugbetalen van griffierechten en eventuele proceskosten, evenals schadeclaims, is een financieel risico. Per geval kan de schadeclaim hoog zijn (enkele miljoenen euro's). Er wordt uitgegaan van maximaal € 5 mln op jaarbasis.

Maatregelen

De vergunningverlening is ondergebracht bij de omgevingsdiensten. Beperking van dit risico door de provincie vergt adequaat toezicht op een zorgvuldige uitvoering van deze taken door de omgevingsdiensten.

Status

Het betreft hier een doorlopend risico. De aandacht voor juridische kwaliteit heeft er in de afgelopen jaren toe geleid dat er, vergeleken met voorgaande jaren, procentueel minder besluiten waartegen beroep is ingesteld, zijn vernietigd.

In deze paragraaf wordt het risico met betrekking tot de Derde Merwedehaven separaat toegelicht (als niet-kwantificeerbaar risico).

14.

Maatregelen Rijk in verband met EMU-tekort

Omschrijving

Op grond van de wet Houdbare Overheidsfinanciën (HOF) dienen decentrale overheden een gelijkwaardige inspanning te leveren aan de beheersing van het EMU-saldo.

Dit saldo is het totaal van inkomsten minus uitgaven van het Rijk, de sociale fondsen en decentrale overheden tezamen. Bij een nadelig saldo is sprake van een tekort.

In de regel leiden bij decentrale overheden hoofdzakelijk investeringen en inzet van reserves tot een EMU-tekort; dit zijn namelijk uitgaven die niet uit de lopende inkomsten betaald worden.

Voor Nederland als geheel geldt dat (op grond van Europese afspraken) het tekort maximaal -3% mag bedragen van het bruto binnenlands product (BBP). Het maximale tekort van decentrale overheden is in onderling overleg door het Rijk gemaximeerd op -0,5% BBP.

Deze norm is uitgesplitst in een norm voor provincies, waterschappen en gemeenten afzonderlijk.

Voor elke individuele decentrale overheid geldt een individuele referentiewaarde als 'richtsnoer'.

De wet HOF geeft het Rijk de mogelijkheid sancties te treffen als decentrale overheden hun gezamenlijke norm overschrijden en er meerjarig geen zicht is op verbetering. Bij een sanctie kan het gaan om een korting op het Gemeente- en/of Provinciefonds.

Momenteel ligt er een wetswijziging bij de Tweede Kamer om het sanctieinstrument anders in te vullen. Alvorens het Rijk eventueel financiële sancties oplegt, zullen eerst andere maatregelen worden overwogen (zoals het faseren van investeringen).

Impact

De impact is vooralsnog nihil:

Het Rijk legt deze kabinetsperiode geen sanctie op (afspraak met decentrale overheden);

  • De minister heeft tijdens de behandeling van de wet HOF meerdere keren aangegeven dat de wet niet ten koste zal gaan van investeringen door decentrale overheden.

Op langere termijn kan echter wel sprake zijn van impact:

  • Het Rijk is voornemens om de norm voor decentrale overheden met ingang van 2016 te laten dalen (naar uiteindelijk -0,2% BBP). Gezien de huidige prognoses van decentrale overheden is dat te knellend.

  • Een nieuw kabinet heeft (na 2017) weer de mogelijkheid om sancties te treffen.

De maximale impact wordt ingeschat op de omvang van de algemene uitkering uit het Provinciefonds (circa € 100 mln).

Maatregelen

  • De koepels voeren dit jaar overleg met het Rijk over de EMU-norm voor de komende jaren; de koepels trekken hier samen op.

  • Provincies voeren samen een aantal pilots uit om de betrouwbaarheid van hun EMU-ramingen te verbeteren.

Status

In 2014 heeft Zuid-Holland een EMU tekort gerealiseerd van € 3 mln. Dit is ruim boven de referentiewaarde van - € 78,8 mln. Oorzaken liggen zowel in neerwaartse bijstellingen in de benutting van de reserves als in die van investeringsramingen.

15.

Onvoldoende middelen voor nazorg gesloten stortlocaties

Omschrijving

Met ingang van 1 april 1998 zijn provincies verantwoordelijk voor de eeuwigdurende nazorg van provinciale stortplaatsen, waarop na 1 september 1996 nog afvalstoffen zijn of worden gestort. Het Fonds Nazorg gesloten stortlocaties is ingesteld voor het beheer van het vermogen, dat beschikbaar dient te zijn om de kosten van eeuwigdurende nazorg te dekken. Als een stortplaats zich nog in de exploitatiefase bevindt dan worden aan de exploitant heffingen opgelegd totdat het definitieve doelvermogen is bereikt. In deze fase loopt de provincie een debiteurenrisico (de exploitant is niet in staat om de opgelegde heffingen te betalen).

Na sluiting van de stortplaats loopt de provincie het risico dat de nazorgkosten gedeeltelijk moeten worden betaald uit provinciale middelen door:

  • Een afwijkende ontwikkeling van de rendementen, waardoor de heffingen te laag zijn en er onvoldoende vermogen wordt opgebouwd; periodiek laat Zuid-Holland onderzoeken of de rekenrente in lijn is met de feitelijke/verwachte vermogensontwikkeling (de rekenrente dient als basis voor de aan de exploitanten op te leggen heffingen);

  • Technische onvolkomenheden als gevolg van falende voorzieningen;

  • Een toe- of afname van de nazorgkosten als gevolg van prijsontwikkelingen en gewijzigde milieueisen.

Impact

Uit een eind 2012 uitgevoerde studie is gebleken dat de rendementsverwachting achterblijft bij eerdere ramingen. Op basis hiervan heeft het bestuur van het Fonds besloten de rekenrente te verlagen. Als gevolg van de lagere rekenrente zijn de doelvermogens gestegen. Deze stijging wordt voor nog niet overgedragen stortplaatsen bereikt door een verhoging van de heffingen (vastgelegd in de tarieventabellen die worden vastgesteld bij de begroting van het Fonds Nazorg) en voor de inmiddels aan de provincie overgedragen stortplaatsen door het treffen van een voorziening. Deze voorziening heeft per ultimo 2014 een stand van € 8,3 mln.

De risico's worden op deze wijze beheerst en de kans dat alsnog een beroep moet worden gedaan op provinciale middelen wordt vooralsnog dan ook ingeschat als nihil.

Wel kan de provincie mogelijk een debiteurenrisico lopen als gevolg van de verhoging van de heffingen.

De kans hierop wordt echter vooralsnog als nihil ingeschat. De maximale impact ten aanzien van de nog niet overgedragen stortplaatsen wordt ingeschat op € 21,2 mln (dit betreft een situatie waarin de provincie de financiële verantwoordelijkheid voor de exploitatie over zou moeten nemen).

Maatregelen

De genomen maatregelen zijn het treffen van een voorziening en het verhogen van de heffingen (zie impact). Daarnaast wordt het risico gemonitord door het periodiek onderzoeken van de langere termijn rendementsverwachting. Tot slot worden periodiek de nazorgplannen geactualiseerd met als doel te kunnen bepalen of het doelvermogen nog toereikend is. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om technische onvolkomenheden, prijsontwikkelingen of gewijzigde milieueisen. Actuele ontwikkelingen ten aanzien van de risico's worden opgenomen in deze paragraaf weerstandsvermogen en Risicobeheersing.

Status

Er is bestuurlijk overleg geweest over de aanpassing van de rekenrente. Enkele stortplaatsexploitanten hebben gebruikgemaakt van de juridische mogelijkheid om een bezwaar-/beroepsprocedure te starten tegen de opgelegde aanslag; deze procedure loopt.

16.

Risico's PMR - 750 ha natuur en recreatie

Omschrijving

De uitvoeringskosten uitwerkingsovereenkomst PMR: risico's zijn gelegen in de beheersing van de uitvoering van het project.

Impact

De impact van dit risico hangt af van de mate waarin zich onvoorziene omstandigheden voordoen. Op basis van een inschatting van de financiële risico's wordt de omvang van de post onvoorzien periodiek bijgesteld.

Maatregelen

De provincie voert het PMR-project 'Buijtenland van Rhoon' voor eigen rekening en risico uit. Hiervoor is een taakstellend budget beschikbaar. De financiering van het project is gedekt door de gezamenlijke PMR-partners en vastgelegd in de UWO PMR 750 ha. De bijdrage van Zuid-Holland bedraagt € 9 mln, de stadsregio Rotterdam draagt € 18 mln bij en het Rijk € 112 mln. In geval van onvoorziene omstandigheden (zoals excessieve grondprijsstijgingen) kan de provincie in overleg treden met het Rijk (op grond van art. 12 van de UWO). Om de financiële risico's goed te beheersen wordt risicomanagement toegepast. Met behulp van een (financiële) business case is inzichtelijk gemaakt wat mogelijke meerkosten zouden kunnen zijn als zich risico's voordoen. De verwachtingswaarde van mogelijke meerkosten, volgend uit het financieel risicoprofiel, vormt de onderbouwing van de post onvoorzien die in de business case van het project (over de gehele looptijd tot en met 2021) is opgenomen. De totale omvang van de post onvoorzien bedraagt € 15,3 mln. Mocht de verwachtingswaarde stijgen dan zal de post onvoorzien daarop worden aangepast. Mocht uit nieuwe ontwikkelingen blijken dat het taakstellend budget overschreden wordt, dan dienen er beheersmaatregelen getroffen te worden (zoals besparen op andere kostenposten of zoeken van andere geldbronnen).

Status

Het project zit in de uitvoeringsfase en loopt tot en met 2021.

Eind 2013 is een motie door de Tweede Kamer aangenomen met als doel te zoeken naar meer draagvlak voor de plannen. Met instemming van het Rijk (staatssecretaris Dijksma) heeft oud-minister Cees Veerman in juni 2014 geadviseerd het plan inhoudelijk bij te stellen (minder natte natuur). De (ruimtelijke) kaders (PKB, BP) en hoofddoelen blijven intact. Ook stelt hij voor een (nog in te stellen) gebiedscoöperatie het plan te laten uitvoeren. Zijn advies heeft breed draagvlak bij de betrokken overheden (inclusief gemeente). Het ligt in de rede dat aan de gebiedscoöperatie een taakstellend budget wordt meegegeven.

17.

Deelnamerisico ROM-D Capital BV

Omschrijving

De provincie neemt met € 10 mln deel in ROM-D Capital BV, het publiek investeringsfonds van de Regionale Ontwikkelingsmaatschappij Drechtsteden. Besluitvorming hierover is in 2012 afgerond. De daadwerkelijke storting van dit bedrag is eind december 2012 gebeurd. Door deze kapitaalinbreng heeft de provincie aandelen in ROM-D Capital verworven. Het financiële risico voor de provincie is gelegen in waardevermindering van de aandelen. ROM-D Capital BV heeft (op termijn) een revolverend karakter. Dit houdt in dat het initiële vermogen ten minste in stand dient te blijven. Er worden alleen projecten gefinancierd waarvan op basis van een business case kan worden aangetoond dat deze op termijn winst of meerwaarde genereren. Om continuïteit te waarborgen en het weerstandsvermogen te versterken wordt op de lange termijn een gematigd (gemiddeld) rendement op de projecten nagestreefd van 3%. Gerealiseerde rendementen blijven binnen de vennootschap beschikbaar. Kerntaak van de ROM-D is het ontwikkelen en herstructureren van bedrijventerreinen. De andere deelnemers in ROM-D Capital BV zijn naast de provincie de Gemeenschappelijke Regeling Drechtsteden en de gemeente Dordrecht.

Impact

ROM-D Capital BV stelt werkkapitaal beschikbaar aan werkmaatschappijen (de CV's). ROM-D Capital BV zal in het algemeen geen (extra) zekerheidstelling vragen en accepteert daarmee een hoger risicoprofiel dan private marktpartijen. Binnen de projectportefeuille wordt het vereveningsprincipe gehanteerd: winsten en verliezen op de projecten worden gesaldeerd. Het maximale risico voor de provincie is dat de aan een of meer CV's door ROM-D Capital beschikbaar gestelde gelden (deels) verloren gaan. Het maximale risico is gelijk aan het gestorte aandelenkapitaal in ROM-D Capital BV (€ 10 mln).

Maatregelen

Tot de beheersmaatregelen die zijn getroffen om de risico's zoveel mogelijk te beperken, behoort onder andere het in Drechtstedenverband vastgelegde uitgangspunt dat projecten budgettair neutraal overgaan van de betreffende gemeente naar ROM-D. Het risico voor ROM-D is dus in beginsel beperkt. Voor een aantal van deze projecten zal aan ROM-D Capital BV worden gevraagd om een bijdrage in het werkkapitaal. Dan bepaalt de provincie als aandeelhouder in ROM-D Capital BV mee waarvoor de middelen zullen worden ingezet. De aandeelhouders besluiten naar aanleiding van een advies van een onafhankelijk Investment-committee, dat weer adviseert op basis van een sluitende business case. Verder wordt de financiële stand van zaken periodiek beoordeeld op basis van de jaarrekening van de ROM-D (deze wordt vastgesteld door de aandeelhouders van de ROM-D, waaronder ook Zuid-Holland). Om het risico van waardedaling van de aandelen af te dekken is een reserve voor waarderingsverschillen gevormd.

Status

Het betreft hier een doorlopend risico dat mede gerelateerd is aan economische ontwikkelingen. In ROM-D Capital bevinden zich in 2013 vijf projecten, met uiteenlopende rendementen. Er is een negatieve waardeontwikkeling geconstateerd van de aandelen. De verwachting met betrekking tot de grondexploitatie van het geheel van de projecten is positief. Onduidelijk is nog of die van structurele aard is. Het jaarverslag ROM-D 2013 laat zien dat is vastgesteld dat de aanwezige projectrisico's in het verslagjaar verder zijn gemitigeerd en dat er daarenboven voldoende nieuw investeringskapitaal beschikbaar is om de ROM-D de gewenste continuïteit te bieden. De vooruitzichten voor 2014 zijn positief. De afgelopen periode is ook gewerkt aan een vereenvoudigd organisatiemodel om tot een intensievere samenwerking te komen met gemeenten. Indien het niet voorzienbaar is dat de waardevermindering zal stoppen dan dient de deelnemingswaarde op de balans van de provincie gewaardeerd te worden tegen de lagere marktwaarde. Vooralsnog is dit niet aan de orde.

18.

Deelnamerisico InnovationQuarter

Omschrijving

De provincie neemt, samen met het ministerie van Economische Zaken, de gemeenten Rotterdam, Den Haag, Delft, Leiden, Westland en de Zuid-Hollandse universiteiten en medische centra deel in InnovationQuarter. De organisatie bestaat uit twee entiteiten: de ROM Zuidvleugel BV (met de handelsnaam InnovationQuarter) en de Participatiemaatschappij Zuidvleugel BV. De Participatiemaatschappij Zuidvleugel BV is een 100% dochter van de ROM Zuidvleugel BV. Het kapitaal dat door de aandeelhouders in de ROM Zuidvleugel BV wordt gestort, wordt volledig aangewend voor het (revolverende) participatiefonds. De provincie heeft de storting in de eerste fase van € 10 mln in december 2013 verricht. In de tweede fase is een storting voorzien van € 15 mln (naar verwachting in 2016). De provincie verkrijgt door haar kapitaalinbreng aandelen in de ROM Zuidvleugel BV. Voorwaarde voor deelneming in de ROM Zuidvleugel BV is dat de provincie nooit meer kosten zal maken dan de investering groot is. Om dit te beheersen zal de provincie conform staand beleid geen meerderheid van de aandelen bezitten (maximaal 49,99%). Het startkapitaal van de ROM Zuidvleugel BV bedraagt € 27,7 mln. Daarvan is de provincie voor 36,1% aandeelhouder (€ 10 mln). Waardevermindering van de aandelen is een risico voor de provincie.

Impact

Het maximale risico is € 10 mln per 2020.

Maatregelen

Om het risico van waardedaling van de aandelen af te dekken is een reserve voor waarderingsverschillen gevormd. De reserve wordt verder opgebouwd tot een maximale omvang van 40% van het feitelijk verstrekte kapitaal.

Status

Het betreft hier een doorlopend risico. De kans van optreden wordt vooralsnog nihil ingeschat. Een eventueel risico zal pas over een aantal jaren daadwerkelijk effectief worden, omdat de ROM Zuidvleugel BV nu in de opstartfase zit. Middelen moeten nog aan projecten worden toegekend en vervolgens moeten de activiteiten nog daadwerkelijk worden opgestart.

19.

Geen aflossing gegarandeerde leningen derden

Omschrijving

De provincie Zuid-Holland staat in een aantal gevallen garant voor de rente en aflossing van door derden afgesloten geldleningen. Het betreft garantstellingen op het terrein van de gezondheidszorg. Er is sprake van een geleidelijke afbouw van de portefeuille gewaarborgde geldleningen vanwege de aflossing van de geldleningen en vanwege tussentijdse conversies van leningen waarbij de provinciale borgstelling komt te vervallen.

Impact

De te lopen maximale schade bedraagt eind 2014 € 3,7 mln. Voor een groot deel van dit bedrag (circa 98%) zijn hypothecaire zekerheden bedongen die kunnen worden uitgewonnen indien de provincie als borg wordt aangesproken. De kans van optreden van dit risico wordt dan ook ingeschat als nihil. Het uitwinnen van deze zekerheden kan echter leiden tot ernstige maatschappelijke gevolgen bij zorginstellingen. In dat geval zou kunnen worden besloten de gestelde zekerheden niet aan te spreken.

Maatregelen

Er worden geen nieuwe garanties meer verstrekt aan zorginstellingen. 100% van door de provincie gewaarborgde instellingen is aangesloten bij het Waarborgfonds voor de zorgsector.

Status

De komende jaren worden de garantstellingen verder afgebouwd. Naar verwachting zijn alle garanties in 2027 volledig afgebouwd.

20.

Onvoldoende solvabiliteit/liquiditeit regionale omroepen

Omschrijving

De provincie Zuid-Holland heeft aan Omroep West en RTV Rijnmond in 2004 een achtergestelde lening verstrekt. Omdat het hier achtergestelde leningen betreft, bestaat er een zeker risico dat de leningen niet (geheel) zullen worden terugbetaald in geval van faillissement van een of beide omroepen. De financiële positie van de twee regionale omroepen is de laatste jaren structureel gezond. Ook de liquiditeit is niet langer een knelpunt. De lening aan Omroep West bedroeg € 4,5 mln en aan RTV Rijnmond € 2,5 mln. In de leningovereenkomst van Omroep West is opgenomen dat de lening vanaf 2007 wordt afgelost in tien jaarlijkse termijnen, waarbij de eerste twee termijnen minimaal € 0,3 mln per jaar bedragen en de daarop volgende termijnen minimaal € 0,5 mln per jaar. In de leningovereenkomst van RTV Rijnmond is opgenomen dat de lening wordt afgelost vanaf 2008 (eveneens in tien jaarlijkse termijnen van ten minste € 0,3 mln). Conform de afspraak zijn de omroepen begonnen met het aflossen van de leningen. In 2014 is een bedrag van € 0,8 mln afgelost.

Impact

Maximale impact (openstaande schuld) bedraagt ultimo 2014 € 1,18 mln (waarvan € 0,75 mln voor Omroep West en € 0,43 mln voor RTV Rijnmond).

Maatregelen

De financiële positie en liquiditeitspositie van de regionale omroepen worden door middel van periodieke rapportages gemonitord.

Status

Als gevolg van recentralisatie van de zorgplicht voor de regionale omroepen door het Rijk is de subsidierelatie met de beide regionale omroepen West en Rijnmond per 1 januari 2014 beëindigd. De recentralisatie heeft geen juridische consequenties voor de status van de leningovereenkomst. Gelet op de gezonde financiële positie van beide instellingen wordt verwacht dat de leningen volledig zullen worden afgelost.

21.

Herinrichting Meeslouwerplas

Omschrijving

Op 26 augustus 2009 is de 'Basisovereenkomst' tussen BAM Wegen regio west BV en de provincie Zuid-Holland ondertekend. De basisovereenkomst heeft betrekking op de volgende zes projecten, samen 'het Werk' genoemd en in het vervolg als project Meeslouwerplas aangeduid:

  • Het verondiepen van de Meeslouwerplas (c.q. het herstel van de instabiele oevers);

  • Het herinrichten van de oevers;

  • Het realiseren van het krekengebied;

  • Het verduurzamen van de eilanden tussen Meeslouwerplas en de recreatieplas;

  • Het realiseren van twee geluidwerende voorzieningen;

  • Bouw nieuwe brug ter vervanging van de Bailey-brug.

De ondertekening van de basisovereenkomst in augustus 2009 vormde de officiële start voor de uitvoeringsfase. Voor de doorlooptijd van het project wordt uitgegaan van tien jaar. De belangrijkste risico's van het project herinrichting Meeslouwerplas zijn:

  • Het project levert niet genoeg geld op;

  • Er komt binnen de termijn van tien jaar onvoldoende kwalitatief goede grond beschikbaar;

  • BAM stopt met de uitvoering van het project;

  • Het verondiepingswerk loopt vertraging op als gevolg van minder aanbod van bagger en grond.

Impact

Indien deze risico's werkelijkheid worden kan dat de volgende consequenties hebben:

  • In de worst-casesituatie wordt de voorinvestering van de provincie in de ophaalbrug en de compensatie van Recreatiecentrum Vlietlanden van in totaal € 1,8 mln niet terugverdiend en moet de provincie met andere maatregelen de oeverveiligheid realiseren;

  • Daarnaast is het mogelijk dat het project niet de afgesproken financiële opbrengst voor PZH oplevert (€ 2,6 mln + indexering) waardoor geen verdere investeringen in de recreatieve en ecologische kwaliteit van het gebied kunnen worden gedaan.

Maatregelen

In het kader van de basisovereenkomst met de BAM is de BAM aangesproken op het nakomen van gemaakte afspraken. Dit moet leiden tot herbevestiging van deze afspraken, inclusief planning en provinciale opbrengsten van het verondiepingsproject. Totdat hierover duidelijkheid is, doet de provincie geen verdere investeringen in het project.

22.

Noodzakelijk beroep op aansprakelijkheidsverzekering

Omschrijving

De provincie heeft een aansprakelijkheidsverzekering gesloten bij Centraal Beheer/Achmea voor vermogensschade en voor personen- en zaakschade. De aansprakelijkheidsverzekering wordt elk jaar stilzwijgend verlengd met een termijn van één jaar. De verzekerde som voor vermogensschade bedraagt € 2,5 mln per schadegeval (totaal per jaar: maximaal € 5 mln, eigen risico is € 12.500 per schadegeval). De verzekerde som voor personen- en zaakschade bedraagt € 5 mln per schadegeval (totaal per jaar: maximaal € 10 mln, eigen risico: € 5.000 per schadegeval).

Impact

De provincie kan te maken krijgen met een toegenomen claimbewustheid van burgers en het bedrijfsleven; belanghebbende partijen weten steeds beter de schade op de overheid te verhalen. Het risicoprofiel van de provincie is gunstig. Het aantal claims is beperkt. De hoogte van het meerjarig claimbedrag vertoont geen substantiële stijging. De omvang van de claims is voor het merendeel lager dan € 100.000. De claims hebben in de meeste gevallen betrekking op materiële risico's. Overschrijding van de dekking heeft niet plaatsgevonden. Per claim wordt beoordeeld of deze onder de voorwaarden van de aansprakelijkheidsverzekering valt.

Maatregelen

Het provinciale verzekeringsbeleid wordt periodiek herzien. Adequate besluitvormingsprocedures, juridische controle, functiescheiding en interne controlemaatregelen maken deel uit van dit beleid.

Status

Ultimo 2014 is sprake van een bedrag van circa € 3 mln aan bij de provincie ingediende, nog niet afgehandelde claims. Omdat deze claims nog niet zijn afgehandeld, is nog niet definitief bekend in welke mate zij onder de dekking van de aansprakelijkheidsverzekering vallen.

23.

Afschaffen forfaitaire index BDU

Omschrijving

De staatssecretaris van Infrastrucuur en Milieu (I&M) heeft eind 2013 besloten vanaf 2014 geen forfaitaire index meer toe te kennen aan de Brede Doel-uitkering (BDU) van de decentrale overheden. Dit betekent dat de BDU-index afhankelijk is geworden van de indexering van de I&M-begroting door het ministerie van Financiën. De verwachting is dat deze maatregel zal leiden tot een lagere indexering dan tot nu toe het geval was. In 2014 was de index 0,196 %, in 2013 nog 1,1 %.

Impact

Bij alle Zuid-Hollandse concessies in het kader van openbaar vervoer is tot op heden geïndexeerd. Bij een aantal concessies wordt jaarlijks geïndexeerd op basis van de ontvangen index van het ministerie van I&M. Bij deze concessies is uitkeren van de indexatie geen contractuele verplichting. Gevolg hiervan is echter wel dat maatregelen van de vervoerders dreigen als door het ontbreken van indexering hun exploitatiesaldo onder druk komt te staan. De vervoerders hebben hiertoe inmiddels de eerste voorstellen gedaan.

Daarnaast zijn er concessies waarbij bindende afspraken gemaakt zijn over indexatie op basis van het Heerenveenakkoord, de zogenaamde Landelijke Bijdrage Index (LBI) of de Consumentenprijzen­index (CPI) van het CPB. Bij deze concessies ontstaat er structureel een groeiend verschil tussen de bedragen die Zuid-Holland via de BDU ontvangt en de bedragen die vervoerders van de provincie ontvangen.

De financiële consequenties zijn moeilijk in te schatten, omdat loon- en prijs­ont­wikkelingen door de tijd heen sterk in omvang kunnen verschillen.

Maatregelen

Ontstane tekorten kunnen nog een aantal jaren worden gedekt binnen de BDU. Als deze middelen op langere termijn ontoereikend blijken te zijn, dan dienen er maatregelen te worden doorgevoerd in nieuwe concessies en/of dient er aanvullende dekking te worden gevonden.

Status

Op 17 december 2014 heeft de Eerste Kamer ingestemd met het wetsvoorstel "€œWijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen en enkele andere wetten in verband met de afschaffing van de plusregio's"€. Als gevolg hiervan zullen de BDU-middelen voor de provincies per 1 januari 2016 overgaan naar het Provinciefonds, eerst lump sum als decentralisatieuitkering en daarna zo spoedig mogelijk als onderdeel van de algemene uitkering.

Door opname in het Provinciefonds gaan de voormalige BDU-middelen behoren tot de algemene dek­kings­mid­de­len van de provincie. Het al dan niet indexeren van deze budgetten wordt dan onder­deel van de integrale afweging van Provinciale Staten bij het vaststellen van de begroting. De verwachting is dat er een verschil blijft bestaan tussen de gehanteerde LBI- en CPI- index enerzijds en de ontwikkeling van de algemene middelen (waaronder die van het accres) anderzijds, waardoor ook in deze nieuwe situatie een groeiend structureel verschil ontstaat tussen de bedragen die Zuid-Holland ontvangt en de bedragen die vervoerders van de provincie ontvangen. De maximale impact wordt ingeschat op € 1,4 mln per jaar (uitgaande van een LBI van 1,9%, het gemiddelde over de jaren 2012 – 2015, en een neutrale ontwikkeling van de algemene inkomsten, waardoor er geen extra structurele ruimte ontstaat om budgetten te indexeren).

24.

Derde Merwedehaven

Omschrijving

In februari 2011 heeft de provincie een grotere hoeveelheid gestort asbesthoudend materiaal in de Derde Merwedehaven gerapporteerd (ten opzichte van februari 2010). Naar aanleiding van aangifte door de Stichting Derde Merwedehaven is een strafrechtelijk onderzoek gestart. De uitkomst is inmiddels bekend: Zuid-Holland en anderen zullen strafrechtelijk niet vervolgd worden. Er kunnen echter wel aansprakelijkheidsrisico's volgen uit mogelijk gelopen gezondheidsklachten.

Impact

Eventuele aansprakelijkheidsclaims kunnen financiële gevolgen hebben (de kans van optreden van deze claims wordt, gezien het feit dat de provincie of haar bestuurders en/of medewerkers niet als verdachte betrokken zijn, beperkt geacht).

Maatregelen

Als resultaat van bestuurlijk overleg worden de volgende acties uitgevoerd:

er wordt structureel/intensief ingezet op communicatie met de omgeving; de stortactiviteiten zijn met ingang van 31 januari 2012 gestopt, maar de afwerking van de stortplaats dient nog plaats te vinden; het voorterrein doet nog dienst als bedrijventerrein.

Status

In 2023 wordt de stortplaats overgedragen aan de provincie.

25.

Inlenersaansprakelijkheidsrisico

Omschrijving

De inlenersaansprakelijkheid is gebaseerd op art. 34 van de Invorderingswet. Deze houdt in dat in sommige gevallen de inlener van personeel aansprakelijk kan zijn voor de loon- en omzetbelasting die door de uitlener (bijvoorbeeld een uitzendbureau) niet is afgedragen. Mocht bijvoorbeeld in geval van een faillissement het uitleenbedrijf nog een schuld hebben aan de Belastingdienst, dan kan de fiscus dat bedrag verhalen op bedrijven of instellingen waar het uitgeleend personeel heeft gewerkt.

De inlenersaansprakelijkheid geldt daarom niet bij diensten die een ZZP'er voor Zuid-Holland verricht, zonder dat er een andere organisatie (zoals een uitzendbureau) tussen zit.

Impact

Het (rest)risico op de inlenersaansprakelijkheid is niet kwantificeerbaar. In de Aanbestedingswet 2012 is een beperking opgenomen voor eisen aangaande financiële zekerheid. Door deze beperking kan sprake zijn van een licht verhoogd risico ten opzichte van eerdere omstandigheden. Door het ontbreken van ervaringscijfers kan geen schatting worden gegeven van de impact. Tot op heden zijn bij de provincie geen claims opgelegd met betrekking tot de inlenersaansprakelijkheid.

Maatregelen

De aansprakelijkheid is niet voor 100% af te dekken. Wel worden de volgende maatregelen genomen om het risico te beheersen:

  • Werken met erkende en/of gecertificeerde bedrijven;

  • Sluiten van goede raamcontracten waarbij bijvoorbeeld ook gekeken wordt naar de liquiditeits-positie van betreffende ondernemingen;

  • Hanteren van uitsluitend de provinciale inkoopvoorwaarden.

Vooralsnog wordt er geen depotstelsel ingevoerd als maatregel om het risico te beheersen. Redenen hiervoor zijn de forse administratieve lasten van deze maatregel in relatie tot het te verwachten effect van de hierboven genoemde maatregelen.

Status

Er zijn in 2014 geen claims ontvangen met betrekking tot inlenersaansprakelijkheid.

26.

Doorlevering gronden aan TBO's

Omschrijving

De vereniging van particuliere grondeigenaren heeft een klacht ingediend bij de Europese Commissie met als strekking dat de subsidies die eerder zijn verstrekt in het kader van de zogeheten PNB-regeling voor terreinbeherende organisaties (TBO's) in strijd zou zijn met de EU-regelgeving inzake staatssteun. Voor Zuid-Holland gaat het om subsidies die verstrekt zijn aan Zuid-Hollands Landschap en Natuurmonumenten. De Europese Commissie zal naar alle waarschijnlijkheid pas over enkele jaren uitspraak doen.

Impact

Als de Europese Commissie oordeelt dat sprake is van onverenigbare staatssteun, dan zal geëist worden dat het Rijk (naar nationaal recht) een bedrag terugvordert dat kan variëren van circa € 0,2 mld (bij geoorloofde staatssteun) tot € 1,2 mld (bij ongeoorloofde staatssteun). Deze bedragen zijn inclusief gederfde rente. De uiteindelijke omvang is afhankelijk van de uitspraak van de Europese Commissie. Het Rijk zal deze vordering mogelijk neerleggen bij de provincies (als uitvoerders van de PNB-regeling). Het is niet bekend hoe de vordering verdeeld zal worden over de provincies. De provincies kunnen het 'steunbedrag' vorderen bij de TBO's.

Dit zal grote financiële maar ook beleidsmatige consequenties hebben voor de continuïteit en kwaliteit van de taakuitoefening op het gebied van natuurbeheer.

Maatregelen

De Uitvoeringsregeling Groen (URG) is aangepast op het principe van gelijkberechtiging. Hiermee wordt voor toekomstige situaties voldaan aan de EU-richtlijnen inzake staatssteun.

Status

De vereniging van particuliere grondeigenaren overweegt de landelijke klacht in te trekken. Daarnaast is de Europese Commissie (EC) een onderzoek gestart. Het ministerie van Economische Zaken heeft de verantwoordelijkheid voor de landelijke reactie naar de EC. Naar aanleiding van de behandeling van de klacht heeft het ministerie van EZ nieuw beleid ontwikkeld dat regelt dat de provincie alle gronden binnen de EHS middels een openbare procedure verkoopt tegen natuurwaarde op basis van de getaxeerde waarde. Dat betekent dat een ieder conform de wens van de vereniging nu voor eigendom en beheer van de restantopgave van de EHS in aanmerking komt. Inmiddels heeft de provincie de Vereniging van particuliere grondeigenaren een brief gestuurd waarin het beleid van de provincie is uiteengezet. De Vereniging heeft ingestemd met het beleid van de provincie Zuid-Holland. De Vereniging Hollandse Particuliere Grondeigenaren (HPG) wordt bij twijfelgevallen betrokken.

27.

Meerkosten als gevolg van bezwijken oeverconstructies aan provinciale vaarwegen

Omschrijving

Het risico kan als volgt worden omschreven:

Schade aan derden als gevolg van bezwijken van oeverconstructies.

Impact

Bij het bezwijken van oeverconstructies kunnen derden schade oplopen aan hun bouwwerken die zich op de oevers bevinden. De ontstane schade kan niet uit het reguliere onderhoudsbudget worden bekostigd.

Maatregelen

De technische staat van de oeverconstructies wordt beoordeeld met behulp van conditiemetingen. Deze metingen zijn vast onderdeel van het beheer van het vaarwegennet. Daarmee wordt de kans op optreden van het risico tot een minimum beperkt

Status

Voor alle oevers in stedelijk gebied en vrijwel alle oevers in landelijke omgeving is inmiddels met conditiemetingen vastgesteld dat de geplande onderhoudsmaatregelen afdoende zijn om bezwijken te voorkomen.

28.

Ontwikkeling loonkosten (stijging werkgeverslasten en CAO)

Omschrijving

De kans bestaat dat de loonkosten stijgen als gevolg van exogene factoren. Het betreffen wijzigingen in de percentages van de pensioenpremie en wijzigingen in diverse grondslagen en premies, bijvoorbeeld met betrekking tot WAO/WIA, zorgverzekeringswet, werkgeversbijdrage IPAP en levensloop. De provincie is verplicht deze wettelijke percentages toe te passen. In de afgelopen jaren schommelde het percentage voor de stijging van de werkgeverslasten tussen de 1,5% en 2%.

Afspraken over een eventuele nieuwe CAO zullen eveneens een kostenverhogend effect hebben op de loonkosten.

Impact

Uitgaande van 2% stijging werkgeverslasten bedraagt het financiële risico, op basis van het totaal aan vaste loonkosten 2015, € 2,2 mln. Uitgaande van een structurele loonstijging van 1% (dit is gelijk aan de huidige inflatie) bedraagt het financiële risico van een nieuwe CAO € 1,1 mln.

Maatregelen

Uitvoering geven aan motie 390 (Démoed). In deze bij Begroting 2013 ingediende motie is Gedeputeerde Staten verzocht om in het vervolg niet-voorziene hogere loonkosten ten laste te laten komen van de desbetreffende programma's.

Status

Voor wat betreft de stijging van de werkgeverslasten is het een jaarlijks terugkerend, exogeen risico. De loonstijging als gevolg van CAO-afspraken is afhankelijk van de looptijd.

In december 2014 is een nieuwe CAO afgesloten voor de periode 2012-2015 die voor een klein deel een effect heeft op de jaarrekening 2014 (€ 0,7 mln). Het effect voor 2015 betreft een loonsverhoging van 2% per januari en 1% per juli 2015.

29.

Risico's regeling IndividueelKeuzeBudget (IKB) (vakantiedagen)

Omschrijving

De hoogte van de loonkosten kunnen worden beïnvloed door de invoering van het Individueel Keuzebudget.

Impact

De impact van het risico wordt bepaald door de wijze waarop de medewerkers gebruik gaan maken van de mogelijkheden van het IKB. De bovenwettelijke verlofuren worden toegevoegd aan de regeling en worden in principe uitbetaald. De medewerkers kunnen verlofuren kopen. Op dit moment is niet bekend of de medewerkers van dit recht gebruik gaan maken. In IPO-verband is verondersteld dat niet de volledige bovenwettelijke uren worden teruggekocht. Dit zal dan leiden tot een stijging van de loonkosten. De totale waarde van de voormalige bovenwettelijke verlofuren die vanaf 2015 uitbetaald worden bedraagt € 1,4 mln.

Maatregelen

De regeling zal worden gemonitord op gebruik. Zo nodig wordt bij voorjaars- en Najaarsnota een correctie op de loonkostenbudgetten voorgesteld.

Status

Het IKB gaat in op 1 januari 2015.

30.

Uitbetalen obligaties uitgegeven in 1957 en 1959

Omschrijving

In 1957 en 1959 heeft de provincie Zuid-Holland obligaties uitgegeven. In de periode van 30 jaar na uitgifte was de provincie verplicht om rentecoupons te vergoeden. Dit is inmiddels niet meer actueel. Daarnaast kunnen de eigenaren van de obligaties aanspraak maken op de hoofdsom. Hieraan is geen maximale termijn gekoppeld. De gemiddelde hoofdsom van een obligatie wordt ingeschat op

€ 57,-. Het aantal uitgegeven obligaties bedraagt circa 8.000. In totaal gaat het dus om een bedrag van € 0,5 mln.

Impact

Verzoeken tot uitkering van de hoofdsom worden sporadisch ontvangen. Dat zou kunnen betekenen dat van veruit de meeste obligaties de hoofdsom is uitgekeerd. Dat kan echter niet met zekerheid worden gezegd, omdat niet bekend is van hoeveel obligaties de hoofdsom inmiddels is verzilverd. Veelal gaat het om erfgenamen die uit de inboedel van de overledenen aanspraak kunnen maken op verzilvering. In de periode 2007-2014 is een bedrag op de coupons van € 18.810 uitgekeerd. De maximale schade is berekend door het maximaal openstaande bedrag te verminderen met de in 2007-2014 uitgekeerde coupons en de voorziening premieleningen die is ingesteld om de verzilvering te kunnen dekken.

Maatregelen

Er is een voorziening voor de premieleningen 1957 en 1959. Stand voorziening ultimo 2014 bedraagt € 74.617.

Status

Verzoeken tot uitbetalingen worden in behandeling genomen.

31.

Sloopkosten voormalige provinciale bescherming bevolking (BB) bunker

Omschrijving

In 1999 is de huurovereenkomst met Staatsbosbeheer beëindigd betreffende een BB-bunker in de Coepelduinen in Noordwijk, bij de provincie tot 1992 in gebruik als Provinciaal Centrum Civiele Verdediging en als Provinciaal Commando Bescherming Bevolking (PCBB). Staatsbosbeheer verbond aan de oplevering van het perceel onder andere de voorwaarde dat "de provincie zich zou verplichten het ondergrondse deel alsnog op kosten van de provincie te doen verwijderen, indien dit in de toekomst op grond van een dan geldende wet, dan wel bij een algemene maatregel van bestuur, nader te stellen eis nodig zou blijken te zijn".

Impact

In 1992 zijn de sloopkosten van de gehele bunker geraamd op € 0,2 mln exclusief BTW. Door een actualisatie, waarbij rekening is gehouden met de normale kostenontwikkeling en de verscherpte eisen bij de afvoer van afvalstoffen, worden de sloopkosten van de gehele bunker geraamd op € 0,5 mln. Slechts een fractie van dit bedrag is gemoeid met de sloop van de bovengrondse delen.

Maatregelen

Niet van toepassing.

Status

Er is een gering risico dat Staatsbosbeheer ooit om sloop van het ondergrondse deel van de bunker verzoekt.

32.

Restitutie ontgrondingheffing

Omschrijving

Tot 1 januari 2009 werd aan de houders van vergunningen voor ontgrondingen een heffing opgelegd. De heffing was gebaseerd op de Ontgrondingenwet en de Heffingsverordening Ontgrondingen Zuid-Holland. Als gevolg van de wijzigingen van de Ontgrondingenwet is een aantal heffingsgrondslagen komen te vervallen en is ervoor gekozen geen nieuwe Heffingsverordening vast te stellen. De heffing werd opgelegd over de hoeveelheid oppervlaktedelfstoffen waarvoor vergunningen waren verleend. Op grond van art. 21f van de Ontgrondingenwet vindt op verzoek van heffingsplichtige teruggaaf van de heffing plaats als de vergunning wordt ingetrokken of in die zin wordt gewijzigd dat de toegestane hoeveelheid stoffen wordt verminderd. Er is nog een aantal winplaatsen in bedrijf waarvoor een heffing is opgelegd en betaald. Het is niet uitgesloten dat deze winplaatsen, om verschillende redenen, uiteindelijk minder stoffen zullen opleveren dan vergund. Na intrekking of wijziging van de vergunning, kan de heffingsplichtige aanspraak maken op teruggave van een deel van de betaalde heffing.

Impact

Er is per 1 januari 2015 één zandwinning in bedrijf waarvoor een heffing is opgelegd. De opgelegde heffing betreft circa € 0,09 mln. Bij teruggave van een deel van de heffing zal het naar verwachting gaan om een bedrag in de orde van maximaal € 0,09 mln.

Maatregelen

Bestaande vergunningen: Eén.

Toelichting: de vergunde hoeveelheid grondstoffen is een maximum. De vergunning houdt niet de verplichting in deze hoeveelheid stoffen daadwerkelijk te winnen. Indien de vergunninghouder verzoekt de vergunning in te trekken of de vergunde hoeveelheid te verminderen, moet dat verzoek op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur worden ingewilligd.

Nieuwe vergunningen: Geen.

Toelichting: sinds 1 januari 2009 worden geen ontgrondingenheffingen meer opgelegd.

Status

Het betreft hier een doorlopend risico.

Voor het rekeningresultaat geldt dat het gaat om het bedrag dat zowel juridisch als bestuurlijk niet beklemd is.
Dit is het totaal van de begrotingssaldi uit de lopende (meerjaren)begroting 2015(-2018).