Budgettair kader

Algemeen

De Begroting 2014 is gebaseerd op de Kadernota 2014-2017 en, conform de richtlijnen van BZK, op de Meicirculaire. Bij Kadernota 2014-2017, waarin het financieel perspectief is geschetst met de actualiteit van dat moment, is besloten om € 8,9 mln toe te voegen aan de algemene reserve ter dekking van de te verwachte tekorten in de komende jaren. Op onderdelen heeft voortschrijdend inzicht geleid tot bijstellingen ten opzichte van de Kadernota. Deze bijstellingen voor 2014 zijn:

  • € 1,1 mln lagere kapitaallasten, als gevolg van actualisatie van het investeringsplan (nieuw ten opzichte van Kadernota).
  • € 4,7 mln (structureel) lagere korting Provinciefonds in verband met BTW-Compensatie Fonds (BCF), acres en recentralisatie regionale omroepen (bijstelling op Kadernota).
  • € 4,8 mln vervallen van het onderdeel ‘vermindering reserves, 2%’ van het vastgesteld bezuinigingspakket (bijstelling op Kadernota).
  • € 3,6 mln (eenmalig) reservering Individueel Keuze Budget (IKB) (nieuw ten opzichte van Kadernota).
  • € 2,2 mln meerkosten overige bijstellingen van geringe omvang (nieuw ten opzichte van Kadernota).
  • Vervallen van de onzekerheidsmarge (€ 3,5 mln / € 6,5 mln) (bijstelling op Kadernota).

Bovenstaande ontwikkelingen leiden tot een aangescherpt financieel perspectief waarin vanwege de financiële ontwikkelingen de eerder bij de Kadernota 2014-2017 verwachte onttrekkingen aan de algemene reserve in latere jaren niet meer nodig zijn. Daarbij is, voor wat betreft het accres / algemene uitkering Provinciefonds, uitgegaan van een neutrale ontwikkeling. Enerzijds is sprake van een positieve ontwikkeling, zoals aangegeven in de Septembercirculaire. Anderzijds is sprake van onzekerheden en risico’s zoals het effect van een tweetal wetgevingstrajecten (vermindering aantal ambtsdragers en korting in verband met het samengaan van provincies.) Ook bestaat er onduidelijkheid over de mogelijke aanvullende maatregelen / rijksbezuinigingen in de verdere toekomst en de effecten als gevolg van het achter blijven van de rijksuitgaven in de jaren 2012 en 2013. In onderstaande tabel zijn deze ontwikkelingen weergegeven. De geschetste ontwikkelingen van het accres zijn niet in deze begroting verwerkt. De onzekerheden zijn opgenomen in de paragraaf weerstandsvermogen.

 
Meerjarige ontwikkelingen Algemene Uitkering (indicatief)

(bedragen x € 1 mln)

2014

2015

2016

2017

Accres sept circulaire

9,5

6,0

6,0

6,0

Vermindering ambtsdragers

0

-1,5

-1,5

-1,5

Vermindering samenwerking

0

-0,8

-1,6

-2,5

Aanvullende maatregelen en effecten

PM

PM

PM

PM

Saldo

9,5

3,7

2,9

2,0

In het Hoofdlijnenakkoord is ten aanzien van de opcenten opgenomen de inflatiecorrectie voor de helft achterwege te laten. Per jaar wordt bezien of de volledige correctie achterwege kan blijven, afhankelijk van het financieel perspectief. Om de lastenverhoging voor de burger te beperken, wordt ook voor 2014 de verhoging met de helft van de inflatie achterwegen gelaten.

 

Financiële ruimte

Onderstaand overzicht geeft de mutaties in de financiële ruimte weer ten opzichte van de Begroting 2013 na Voorjaarsnota 2013.

 

Mutaties financiële ruimte (bedragen x € 1 mln)

2014

2015

2016

2017

 

Begrotingspositie na Voorjaarsnota 2013

0,4

3,0

42,7

55,8

1

Kapitaallasten

1,1

1,1

-1,0

-7,9

2

Motorrijtuigenbelasting

5,0

5,0

5,0

5,0

3

Aandeel korting Provinciefonds in verband met. BCF

-5,1

-11,8

-11,8

-11,8

4

Recentralisatie regionale omroepen

-0,7

-0,7

-0,7

-0,7

5

Indexering

-0,6

-0,5

-0,3

-0,5

6

Bijdrage RZG Zuidplas

 

-1,6

-1,5

-1,5

7

Frictiekosten Focus met Ambitie (FmA)

-2,5

-2,5

   

8

Samenwerking gemeenten en regio's

-0,1

-0,1

-0,1

 

9

Maatregelen Kadernota 2014-2017

15,3

8,7

-13,7

-5,1

10

Rentebaten en dividend

0,2

     

11

Verlaging stelpost balansverplichtingen

-0,2

-0,5

-0,5

-0,5

12

Bodemsanering

-0,2

     

13

Reservering IKB

-3,6

     

14

Reservering Kadernota 2015-2016

-8,9

     
 

Eindsaldo

0,0

0,1

18,1

32,8

De in de begroting verwerkte bedragen wijken op onderdelen af van de bedragen in de Kadernota 2014-2017. Deze afwijkingen zijn hieronder per onderdeel toegelicht. (NB: de onderdelen genoemd onder 2 tot en met 8 en 14 waren ook in de Kadernota opgenomen).

 
1. Kapitaallasten

Kapitaallasten bestaan uit afschrijving en rente. Basis voor de berekening van de kapitaallasten vormen de investeringsplannen. Het totale investeringsbudget voor 2014 is geraamd op € 207,9 mln. Dit is als volgt opgebouwd:

  • Investeringsplan raming 2014
  • Meerjarenprogramma Provinciale Infrastructuur (MPI) * € 140,3 mln 67,5%
  • Nota Budgetbehoefte DBI € 56,1 mln 27,0%
  • Meerjaren Bedrijfs- en Informatieplan 2013-2016 € 4,7 mln 2,3%
  • Meerjaren onderhoud- en investeringsprogramma gebouwen € 2,9 mln 1,4%
  • Strategische huisvestingsvisie € 1,6 mln 0,8%
  • Provinciaal recreatiegebied Vlietland € 1,3 mln 0,6%
  • Alternatief bedrijventerrein Hoeksche Waard € 1,2 mln 0,6%
  • Integrale Ontwikkeling Delft Schiedam (IODS) € 0,4 mln 0,2%
  • Project Meeslouwerplas € 0,2 mln 0,1%
  • Subtotaal € 208,7 mln
  • Aflossing langlopende leningen u/g -€ 0,8 mln

Totaal € 207,9 mln

* Elk jaar wordt het Meerjarenprogramma Provinciale Infrastructuur (MPI), tegelijk met de begroting opgesteld en vastgesteld door PS door middel van een aparte voordracht.

 

Onderstaand overzicht geeft de mutaties in de geraamde investeringen waarop de kapitaallasten zijn gebaseerd weer. In de Financiële begroting worden de ontwikkeling van de investeringen nader toegelicht.

 
Investeringen Begroting 2013 versus Begroting 2014

Onderwerp

(bedragen x € 1 mln)

2013

2014

2015

2016

Begrote investeringen conform Begroting 2013

150

177

217

226

Begrote investeringen conform Begroting 2014

142

208

282

168

Mutatie investeringen

-8

31

65

-58

 

Onderstaande tabel geeft het effect van de ontwikkeling van de kapitaallasten op de financiële ruimte weer. Het betreft de wijzigingen ten opzichte van de meerjarenraming in de Begroting 2013. Op basis van de investeringsplannen (waaronder het geactualiseerde MPI) is er sprake van een jaarlijkse stijging van de kapitaallasten. In de jaren 2014 en 2015 is de stijging echter lager dan eerder geraamd. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de financiële begroting.

 
Effect ontwikkeling kapitaallasten op de financiële ruimte Begroting 2014

Onderwerp

(bedragen x € 1 mln)

2014

2015

2016

2017

Afschrijving

2,8

2,3

-1,5

-5,0

Rente

-0,1

-0,6

0,5

-2,9

Mutaties kapitaallasten

2,7

1,7

-1,0

-7,9

Reservering mobiliteit *

-1,6

-0,6

   

Totaal mutatie financiële ruimte

1,1

1,1

-1,0

-7,9

+ = minder lasten (voordeel) / - = meer lasten (nadeel)

* De incidentele verlaging van de lasten die betrekking hebben op investeringen voor mobiliteit worden gereserveerd in programmareserve 2. In het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat deze middelen beschikbaar blijven voor mobiliteit.

 
2. Motorrijtuigenbelasting

De inkomsten uit Motorrijtuigenbelasting zijn conform Kadernota verhoogd met € 5,0 mln als gevolg van wetswijziging en samenstelling van het wagenpark. Het opcententarief is ongewijzigd.

Met ingang van 1 januari 2014 komt de vrijstelling voor energiezuinige auto’s met een uitstoot groter dan 50 gr/km te vervallen. Medio 2013 zijn er bijna 154.000 energiezuinige auto’s in Zuid-Holland geregistreerd. De verwachting is dat dit aantal in de tweede helft van 2013 nog licht zal stijgen. Voor 2014 wordt rekening gehouden met een meeropbrengst van € 20,0 mln. door de afschaffing, hiervan is € 10,0 mln. al bij Begroting 2013 in de meerjarenraming 2014 verwerkt. De afschaffing levert daarmee per saldo structureel € 10,0 mln extra inkomsten op voor Zuid-Holland. Daarnaast wordt, conform de Kadernota, rekening gehouden met een daling van € 5,0 mln. als gevolg van de samenstelling van het wagenpark.

In het Belastingplan is tevens opgenomen de herziening van de vrijstelling van “jonge” oldtimers. Het naar verwachting positieve effect van deze herziening is op dit moment nog niet kwantificeerbaar.

Vanaf 2011 is er een daling in de totale omvang van het wagenpark zichtbaar van ongeveer 2.000 auto’s per jaar. Daarnaast is in 2012 voor het eerst het gemiddelde gewicht per auto met een fractie gedaald. De verwachting is dat deze daling zich doorzet, gezien de trend naar kleinere, zuinige auto’s. Deze wijzigingen in het wagenpark hebben een drukkend effect op de opbrengst aan opcenten Motorrijtuigenbelasting. Dit alles onder voorbehoud dat het Belastingplan 2014 door de Eerste Kamer wordt goedgekeurd.

 
3. Aandeel korting Provinciefonds in verband met BTW-Compensatie Fonds (BCF)

Door de verhoging van het BTW-tarief van 19 naar 21% volgen voor het Rijk hogere uitgaven BCF. Het Rijk compenseert dit door een verlaging van het Provinciefonds. Voor provincie Zuid-Holland betekent dit, op basis van de Meicirculaire, een structurele verlaging van de baten van € 5,1 mln. In de Kadernota werd, in afwachting van de Meicirculaire, rekening gehouden met een verlaging van € 6,0 mln.

Daarnaast voert het Rijk, op basis van de afspraken uit het financieel akkoord tussen Rijk en medeoverheden, met ingang van 2015 een structurele korting door op het BCF. Dit betekent, op basis van de Meicirculaire, een structurele verlaging van de baten vanaf 2015 van € 6,7 mln. In de Kadernota werd, in afwachting van de Meicirculaire, rekening gehouden met een verlaging van € 9,0 mln.

 
4. Recentralisatie regionale omroepen

Als onderdeel van het Regeerakkoord worden de regionale omroepen met ingang van 2014 gerecentraliseerd. In verband hiermee wordt er met ingang van 2014 een bedrag van € 143,5 mln uit het Provinciefonds genomen. Dit levert Zuid-Holland per saldo een financieel nadeel op van € 0, mln (in de Kadernota werd nog uitgegaan van een nadeel van € 2,0 mln). Bij het opstellen van de Kadernota was er nog onzekerheid over het uit te nemen bedrag, maar hierover zijn inmiddels afspraken gemaakt tussen IPO en Rijk.

 
5. Indexering

Uitgangspunt van de Kadernota is dat materiële en subsidiebudgetten niet worden geïndexeerd, uitgezonderd de bijdragen aan de RUD’s en subsidies waarbij indexering in de voorwaarden is opgenomen. Verder wordt ook het MPI geïndexeerd. Voor 2014 gaat het in totaal om een bedrag van € 0,6 mln. In de Kadernota werd hiermee rekening gehouden.

 
6. Bijdrage Gemeenschappelijke Regeling Grondbank Rotterdam Zoetermeer Gouda (RZG) Zuidplas

Tot en met 2011zijn de jaarlijkse exploitatielasten van de Grondbank (die voornamelijk uit rentelasten bestaan) aan de boekwaarden bijgeschreven. In RZG Zuidplas verband is afgesproken om de exploitatielasten voor de periode 2012 t/m 2014 ten laste te laten komen van de deelnemers. Deze lasten zijn eerder al in de provinciale begroting opgenomen. Bij Kadernota is besloten om deze lijn vanaf 2015 voort te zetten.

 
7. Frictiekosten programma Focus met ambitie (FmA)

Conform Kadernota wordt € 5,0 mln toegevoegd aan de reserve Frictie algemeen. Deze reserve is bedoeld voor de met de inkrimping / reorganisatie van de organisatie gemoeide incidentele kosten. De benodigde omvang van deze reserve is vooralsnog geschat op € 10,0 mln. (op basis van de vuistregel dat incidentele frictiekosten ongeveer gelijk zijn aan het structureel te bezuinigen bedrag).

 
8. Samenwerking gemeenten en regio’s

Om de gesprekken van GS met gemeenten en regio’s over samenwerking en bestuurlijke en financiële knelpunten te intensiveren, is voor de periode 2014 tot en met 2016 € 0,1 mln per jaar beschikbaar gesteld. Dit was in de Kadernota 2014-2017 opgenomen.

 
9. Maatregelen Kadernota 2014-2017

Op 26 juni 2013 hebben PS de Kadernota 2014-2017 vastgesteld. Kern van deze Kadernota is dat er ontwikkelingen spelen die van invloed zijn op de financiële huishouding van de provincie Zuid-Holland. De aanhoudende economische crisis, die om structurele hervormingen vraagt is hier debet aan. De maatregelen van het Rijk, zoals de korting op het Provinciefonds en ontwikkelingen in de inkomsten uit de opcenten op de Motorrijtuigenbelasting hebben op kortere dan wel langere termijn financiële consequenties voor de provincie Zuid-Holland. In 2014 en 2015 is op basis van deze ontwikkelingen sprake van een incidenteel tekort dat naar huidig inzicht minder groot is dan bij het opmaken van de Kadernota werd verwacht. Er is sprake van een aangescherpt financieel perspectief, echter nog wel met het risico inzake de financiële gevolgen van de aanvullende bezuinigingen van het Rijk en de overige, in de Kadernota, genoemde onzekerheden. Hiervoor wordt vastgehouden aan het bij de Kadernota vastgestelde pakket van maatregelen. Deze maatregelen zijn deels in de Begroting 2014 verwerkt. Het betreft:

  • Vrijval stelpost subsidies € 1,5 mln
  • Herbestemming middelen jeugdzorg € 3,7 mln
  • Aanpassen kasritmes € 10,1 mln
 
10. Rentebaten en dividend.

De renteopbrengsten uit kort uitgezette middelen in 2014 bedraagt naar verwachting € 0,2 mln. Dit is gebaseerd op een verwacht rendement op de middelen in het Geldmarktselectfonds en een gering rendement op middelen die in het kader van schatkistbankieren worden uitgezet. Met deze bijstelling is in de Kadernota nog geen rekening gehouden.

 
11. Afboeken stelpost balansverplichtingen

De stelpost balansverplichtingen in programma 6 (middelen) is ingesteld als administratieve correctie van vrijval van de balanspost ‘nog te ontvangen facturen’ in een lopend jaar. Het bedrag van de vrijval neemt geleidelijk af, doordat de kwaliteit van de financiële administratie is toegenomen. Daarom wordt voorgesteld om de post in 2014 met € 0,2 mln en vanaf 2015 met € 0,5 mln te verlagen. Het verlagen van de stelpost brengt geen financiële risico’s met zich mee.

 
12. Bodemsanering

Bij invoering van de nieuwe systematiek van kostenverdeling, op basis van de (herziene) beleidsnota kostprijsberekening en renteberekening, is een verschil van € 0,2 mln ontstaan tussen de uitkering uit het Provinciefonds en de in de begroting geraamde lasten voor bodemsanering. Voorgesteld wordt om het voor bodemsanering budget 2014 in lijn te brengen met de hoogte van de rijksbijdrage.

 
13. Individueel Keuzebudget (IKB)

De provincie betaalt jaarlijks het vakantiegeld uit in mei. Het IPO en de bonden hebben overeenstemming bereikt over het IKB. Gevolg hiervan is dat de periode waarover vakantiegeld wordt opgebouwd met ingang van 2015 loopt van januari tot en met december in plaats van juli tot en met mei. De uitbetaling van het in 2014 opgebouwde vakantiegeld moet daarom naar voren worden gehaald. Hiervoor is incidenteel een bedrag van ca. € 3,6 mln nodig.

 
14. Reservering Kadernota 2015-2016

Bij Kadernota 2014-2017 is besloten om in 2013 € 5,9 mln en in 2014 € 8,9 mln te reserveren om de geraamde tekorten 2015 en 2016 te dekken. Bij Najaarsnota is op basis van dit besluit € 5.9 mln toegevoegd aan de algemene reserve. De toevoeging van € 8,9 mln is verwerkt in deze begroting. De eerder bij de Kadernota 2014-2017 verwachte onttrekking aan de Algemene Reserve in latere jaren is, gelet op de financiële ontwikkelingen, niet meer nodig.

 

EMU-saldo

Het EMU-saldo is het totaal aan inkomsten minus de uitgaven van de rijksoverheid, sociale fondsen en lokale overheden (onder andere gemeenten, provincies en waterschappen). Als er sprake is van een negatief EMU-saldo spreken we van een EMU-tekort.

Het Rijk en decentrale overheden hebben afspraken gemaakt over het EMU-tekort dat decentrale overheden gezamenlijk maximaal mogen hebben. Deze zogeheten macronorm bedraagt 0,5% van het bruto binnenlands product. Afgesproken is dat in 2015 wordt beoordeeld of aanpassing van deze norm mogelijk en verantwoord is. Decentrale overheden hebben aangegeven dat de macronorm mogelijk knellend gaat werken. Hierdoor wordt een rem gezet op de uitgaven van de decentrale overheden, die juist als doel hebben om de economie te stimuleren.

Het IPO, de VNG en de Unie van Waterschappen (UvW) onderzoeken momenteel of het mogelijk is om tot een aangepaste onderlinge verdeling van de macronorm van 0,5% te komen, die meer recht doet aan de werkelijke behoefte van decentrale overheden. Voor provincies is de huidige norm 0,07% van het bruto binnenlands product. Het IPO heeft eerder per brief aan VNG en UvW er op gewezen dat als er geen onderlinge overeenstemming is over de verdeling er niet kan worden teruggevallen op de huidige verdeling van de macronorm. Dat zou betekenen dat de macronorm van 0,5% BBP voor decentrale overheden voor 2014 en 2015 onverdeeld blijft.

Jaarlijks stelt het Rijk het maximaal toegestane EMU-tekort vast voor individuele decentrale overheden in de vorm van een referentiewaarde. Deze informatie is nog niet beschikbaar. Hierover vindt nog overleg plaats tussen Rijk en decentrale overheden. Daarom wordt in deze begroting uitgegaan van de referentiewaarde die het Rijk in de Septembercirculaire 2012 heeft gepubliceerd (€ 45,0 mln).

In onderstaande tabel staan de meerjarige ontwikkelingen ten aanzien van het EMU-saldo weergegeven. De realisatie over 2012 is afkomstig uit de Jaarrekening. De cijfers over 2013 zijn gebaseerd op de stand tot en met de Najaarsnota 2013. De cijfers voor de jaren 2014 en 2015 zijn gebaseerd op de voorliggende (meerjaren)begroting.

 
EMU-saldo versus maximaal toegestane EMU-tekort (referentiewaarde)

(bedragen x € 1.000)

Jaarrekening 2012

Begroting 2013

Begroting 2014

Raming 2015

EMU-saldo

-49,6

-196,2

-157,9

-193,5

Referentiewaarde

-53,2

-45,0

-45,0

-45,0

Verschil

+3,6

-151,2

-112,9

-148,5

 
EMU-tekort wordt aangegeven met een negatief bedrag (EMU-saldo)

De afname van het EMU-saldo (toename van het tekort) ten opzichte van 2012 wordt verklaard door een toename van de investeringen en van de onttrekkingen uit de reserves. Deze uitgaven dienen ter realisatie van de ambities die opgenomen zijn in de Begroting en zijn veelal gebaseerd op afspraken gemaakt met het Rijk en andere overheden.

 
Wet Houdbare Overheidsfinanciën

In het voorjaar heeft de Tweede Kamer de wet Houdbare Overheidsfinanciën (HOF) aangenomen. De wet regelt onder andere dat het Rijk maatregelen kan treffen bij een (dreigende) overschrijding van de norm. Hierbij valt te denken aan een korting op het Gemeente- en / of Provinciefonds die op kan lopen tot de omvang van de overschrijding.

Rijk en decentrale overheden hebben afgesproken dat er in ieder geval gedurende deze kabinetsperiode geen boetes zullen worden opgelegd. Verder heeft de minister van Financiën in het kamerdebat op 16 april 2013 toegezegd dat een boete niet aan de orde is als de overschrijding van de norm veroorzaakt wordt door investeringen waaraan decentrale overheden en Rijk samenwerken en / of waarover onderlinge bestuurlijke afspraken zijn gemaakt (zoals provinciale cofinanciering van rijksprojecten). Uit een eerdere inventarisatie blijkt dat dit voor Zuid-Holland zou kunnen gaan om bedragen van meer dan € 90,0 mln in 2014 oplopend naar meer dan € 130,0 mln in 2015. Echter een EMU-tekort van decentrale overheden telt hoe dan ook mee voor het totaal. Als decentrale overheden hun norm niet halen, moet het Rijk aanvullend bezuinigen. Hierbij hoort een korting op gemeente- en / of Provinciefonds vervolgens tot de reële mogelijkheden, als gevolg van toepassing van de trap-op-trap-af systematiek.

Naar verwachting behandelt de Eerste Kamer de wet HOF in het najaar van 2013 en treedt de wet met ingang van 1 januari 2014 in werking.

 

Omvang van de reservepositie

Ontwikkeling reservepositie

(bedragen x € 1 mln)

Saldo ultimo

2013 *

Saldo ultimo 2014

Saldo ultimo 2015

Saldo ultimo 2016

Saldo ultimo 2017

Algemene reserve

41,9

50,8

50,8

50,8

50,8

Programmareserves

292,0

275,0

246,4

236,4

243,2

Totaal reserves

333,9

325,8

297,2

287,2

294,0

* Stand tot en met Voorjaarsnota 2013.
 

De stand van de algemene reserve in de Begroting 2014 neemt toe met € 8,9 mln ten opzichte van de stand tot en met Voorjaarsnota 2013. De stand van de algemene reserve komt hiermee op € 50,7 mln[1]. De minimale stand op basis van de herziene beleidsnota weerstandsvermogen is € 30,0 mln. Zie ook onderstaande specificatie.

 

Algemene reserve

(bedragen x € 1 mln)

Saldo ultimo 2014

Minimale stand

30,0

Reservering Kadernota 2014-2017[2]

8,9

Vrij besteedbaar

11,8

Totaal reserves

50,7

De geprognosticeerde stand van de programmareserves per ultimo 2014 neemt ten opzichte van de stand tot en met Voorjaarsnota 2013 af met € 16,9 mln. In de periode tot en met 2017 neemt de stand van de programmareserves per saldo af met € 50,0 mln. Deze daling wordt hoofdzakelijk veroorzaakt door:

 

Water en Groen:

  • Integrale Ontwikkeling Delft Schiedam (IODS) -€ 26,8 mln
  • Groene ambities -€ 5,5 mln
 
 
Mobiliteit:
  • HOV-net -€ 28,6 mln
  • Impuls openbaar vervoer -€ 17,9 mln
 
 

Economie

  • Bedrijventerreinen -€ 9,6 mln
 

De egalisatiereserve mobiliteit neemt toe met € 40,3 mln. Dit komt onder andere door de afspraak in het Hoofdlijnenakkoord dat middelen voor mobiliteit beschikbaar blijven voor mobiliteit. De toename betreft onder andere verschuiving van kasritmes en de incidentele vrijval van kapitaallasten die daar het gevolg van is.

De in de Najaarsnota opgenomen onttrekking ad € 4,9 mln is nog niet verwerkt in deze cijfers.
Bij Najaarsnota is op basis van de Kadernota al € 5,9 mln gereserveerd. In totaal is hiermee € 14,8 mln beschikbaar voor dit specifieke bestedingsdoel. Omdat de Begroting is gebaseerd op de stand tot en met Voorjaarsnota, zijn de mutaties van de Najaarsnota 2013 nog niet zichtbaar in de cijfers.

Inleiding

In het budgettair kader wordt het financieel perspectief van de Begroting 2014 geactualiseerd. Er wordt ingegaan op de ontwikkeling van de algemene reserve, de opgenomen begrotingswijzigingen die de financiële ruimte raken en er wordt hiervoor een dekkingsvoorstel gepresenteerd. Uitgangspunt hierbij is dat de Begroting 2014 financieel sluitend blijft.

Naast de begrotingswijzigingen die de financiële ruimte raken worden de ontwikkelingen van de investeringen en van de reserves weergegeven. Er worden bij deze Voorjaarsnota geen voorstellen gedaan om nieuwe reserves te vormen.

Verloop algemene reserve

Nadat de algemene reserve is verhoogd met het rekeningresultaat 2013 (€ 26,3 mln), wordt daarop € 9,8 mln in mindering gebracht. Dit is het bij de Jaarrekening 2013 gemelde beklemde deel van het rekeningresultaat; beklemd door juridisch afdwingbare of bestuurlijke verplichtingen. Een tweede correctie betreft een bedrag van € 9,7 mln. In de Begroting 2013 was dit bedrag incidenteel vrijgevallen uit programma 2 om te voorkomen dat de opcenten Motorrijtuigenbelasting verhoogd moesten worden om de begroting in evenwicht te houden. Conform de afspraken uit het Hoofdlijnenakkoord wordt dit bedrag toegevoegd aan programma 2. Met dit bedrag worden de financiële gevolgen van de notitie Lange termijn inzicht kapitaal- en beheerlasten opgevangen. Na aftrek van bovengenoemde twee posten sluit deze Voorjaarsnota op een voordelig verschil van € 6,8 mln. Dit is voor € 7,2 mln veroorzaakt door bijstelling van de verwachte inkomsten uit het Provinciefonds. Het voordelig verschil wordt toegevoegd aan de algemene reserve.

De stand van de algemene reserve komt hiermee op € 65,5 mln. De minimale stand van de algemene reserve, conform de beleidsnota Risicomanagement en weerstandsvermogen 2012, is € 30,0 mln.

Ontwikkeling algemene reserve

 

(bedragen x € 1 mln)

 
 

Stand per ultimo 2013

43,0

 

Toevoeging Begroting 2014

8,9

 

Rekeningresultaat 2013

26,3

A

Beklemd deel rekeningresultaat 2013

-9,8

B

Gevolgen notitie Lange termijn inzicht kapitaal- en beheerlasten

-9,7

C

Voordelig saldo Voorjaarsnota 2014

6,8

 

Stand algemene reserve na Voorjaarsnota 2014

65,5

     
 

Afdekking risico’s oorspronkelijke begroting; omvang algemene reserve als onderdeel van weerstandscapaciteit

-30,0

Samenstellende posten claims financiële ruimte

Ad A: Beklemd deel rekeningresultaat 2013 (€ 9,8 mln nadeel)

Bij Jaarrekening 2013 is gemeld dat van het rekeningresultaat € 9,8 mln beklemd is met juridisch afdwingbare of bestuurlijke verplichtingen. Het betreft de volgende posten die in de programma’s, bij de desbetreffende doelen, nader zijn toegelicht:

€ 0,9 mln Beheerskosten Zandmotor (doel 1.1)

€ 7,3 mln Uitvoeringsprogramma Groen (UPG) (doel 1.3)

€ 0,5 mln Saldo programma Mobiliteit (doelen 2.1, 2.2 en 2.3)

€ 0,5 mln Subsidies cultureel erfgoed (doel 4.5)

€ 0,6 mln Gedifferentieerd belonen (bedrijfsvoering)

€ 9,8 mln

Ad B: Gevolgen notitie Lange termijn inzicht kapitaal- en beheerlasten (€ 9,7 mln nadelig)

Deze bijstelling betreft de uitwerking van de notitie Lange termijn inzicht kapitaal- en beheerlasten, zoals op 15 januari 2014 vastgesteld door Gedeputeerde Staten en op 12 maart 2014 besproken door de commissies B&M en V&M.

Door een verschuiving van minder investeringen naar meer exploitatiebudget is er sprake van een hoger benodigd exploitatiebudget in 2014 en 2015 (tweemaal € 10,0 mln) voor het onderhoud van het bestaand areaal. Voor een bedrag van € 10,3 mln wordt dit opgevangen bin­nen programma 2 (€ 0,3 mln in 2014 en € 10,0 mln in 2015).

Ad C: Overige (€ 6,8 mln voordelig)

Dit voordelig verschil is het saldo van een aantal financiële bijstellingen.

€ 0,5 mln (n) beheerlasten nieuw areaal wegen

€ 0,4 mln (n) voorbereiding op overkomst DLG-taken

€ 1,1 mln (n) risico-dekking deelneming in ROM-D Capital BV

€ 1,1 mln (v) vrijval middelen transitie subsidies

€ 7,2 mln (v) ontwikkeling accres Provinciefonds

€ 0,5 mln (v) autonome bijstellingen van de begroting, bestaande uit

€ 0,8 mln (v) lagere kapitaallasten als gevolg van lager investeringsniveau 2013

€ 0,6 mln (n) kosten voor Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving

€ 1,0 mln (v) vrijval middelen frictie RUD

€ 0,3 mln (n) nazorg gesloten stortplaatsen

€ 0,6 mln (n) herverdeeleffect Provinciefonds (overdracht VVGB naar gemeenten)

€ 0,5 mln (v) vervallen rente-toevoeging aan OVP BDU (wettelijke maatregel)

€ 0,3 mln (n) agrarisch natuurbeheer, inzet middelen 2013

€ 0,1 mln (n) uitwerking greendeal-overeenkomst, inzet middelen 2013

€ 0,1 mln (v) diverse bijstellingen van geringe omvang/afrondingsverschillen

Deze bijstellingen zijn opgenomen en worden toegelicht bij de programma’s.

Meerjarenbeeld en Kadernota 2015-2018

De Voorjaarsnota 2014 sluit aan op de Kadernota 2015-2018. Daar waar bij de Voorjaarsnota 2014 meerjarige ontwikkelingen zijn gesignaleerd, zijn deze opgenomen in de Kadernota.

Voor een toelichting op het meerjarenbeeld wordt verwezen naar de Kadernota 2015-2018.

Investeringen

De bruto investeringen 2014 (geraamde investeringsuitgaven) zijn met € 3,6 mln verlaagd. De geraamde inkomsten 2014 zijn niet gewijzigd. De bijstellingen betreffen de investeringen van programma 2 en de bedrijfsvoering en worden bij die onderdelen van de Voorjaarsnota toegelicht.

Programmareserves

In deze Voorjaarsnota 2014 wordt € 42,5 mln meer vanuit de programmareserves ingezet dan begroot. De bijstellingen zijn opgenomen en toegelicht bij de programma’s.

Bij deze Voorjaarsnota zijn geen nieuwe reserves ingesteld. Het aantal onderwerpen waarvoor middelen wordt gereserveerd, is uitgebreid met 1. Het betreft:

Nieuwe onderwerpen binnen de programmareserves

Programma

Omschrijving

Mutaties stortingen

3

ROM-D Capital BV

1,1 mln

Inleiding

In het budgettair kader wordt het financieel perspectief van de Begroting 2014 geactualiseerd. Er wordt ingegaan op de ontwikkeling van de algemene reserve, de opgenomen begrotingswijzigingen die de financiële ruimte raken en er wordt hiervoor een dekkingsvoorstel gepresenteerd. Uitgangspunt hierbij is dat de Begroting 2014 financieel sluitend blijft.

Naast de begrotingswijzigingen die de financiële ruimte raken zijn de ontwikkelingen van de reserves en de regeling Individueel Keuzebudget Provincies opgenomen in het budgettair kader.

Verloop algemene reserve

Deze Najaarsnota sluit op een voordelig verschil van € 4,2 mln. De stand van de algemene reserve komt hiermee op € 66,6 mln. De minimale stand van de algemene reserve, conform de Beleidsnota Risicomanagement en weerstandsvermogen 2012, is € 30,0 mln.

Ontwikkeling algemene reserve (bedragen x € 1 mln)

 

Stand Voorjaarsnota 2014

65,4

Effecten Najaarsnota 2014

4,2

   

Stand algemene reserve na Najaarsnota 2014

69,6

   

Afdekking risico’s oorspronkelijke Begroting; omvang algemene reserve als onderdeel van weerstandscapaciteit

-30,0

Effecten Najaarsnota

 

Mutaties financiële ruimte (bedragen x € 1 mln)

Bedrag

Eenmalig

1

Besluit Voorjaarsnota 2014

-2,4

Ja

2

Provinciefonds

1,7

Ja

3

opcenten Motorrijtuigenbelasting

3,0

Ja

4

Overige autonome bijstellingen

1,9

Ja

 

Totaal

4,2

 

Ad 1. Besluit Voorjaarsnota 2014

Bij de behandeling van de Voorjaarsnota 2014 hebben Provinciale Staten besloten om extra middelen (€ 2,4 mln) beschikbaar te stellen om onder andere te kunnen blijven voldoen aan wet- en regelgeving, informatieverstrekking en versterking van de kwaliteit van de organisatie. De technische verwerking van dit besluit vindt plaats in de Najaarsnota, waarbij een deel van het budget wordt doorgeschoven naar 2015 (zie ook onderstaand onderdeel 'Doorgeschoven prestaties').

De verdeling toegezegde middelen Voorjaarsnota 2014 over de jaarschijven 2014 en 2015 is als volgt:

Onderwerp (bedragen x € 1.000)

2014

2015

Brandveiligheid depot archeologie

125

125

Milieubeschermingswet (MBW) vergunning kolencentrales

115

 

Extra bestuurlijke bijeenkomsten

165

100

Publicatie milieumeldingen bij/door RUD’s

75

 

Publicatie BRZO-besluiten bij/door RUD’s

75

 

Ontwikkeling kostprijsmodel RUD’s

100

 

Verbetering procedure en financieel inzicht mobiliteit

375

375

Inzet ten behoeve van inzicht, benchmarking e.d.

400

350

Totaal

1.430

950

Ad 2. Provinciefonds (€ 1,7 mln voordeel)

Ontwikkeling accres € 0,2 mln (v)

behoedzaamheidsmarge € 1,5 mln (v)

Het accres over het jaar 2014 ontwikkelt zich gunstiger dan waarmee in de begroting rekening is gehouden. De baten van het Provinciefonds worden verhoogd met € 0,2 mln ten gunste van de financiële ruimte.

De ontwikkeling van het Provinciefonds is via het zogeheten accres gekoppeld aan de ontwikkeling van de rijksuitgaven. De afgelopen jaren heeft het accres sterk onder druk gestaan door rijksbezuinigingen, die nodig waren om de rijksbegroting op orde te brengen. Bij Voorjaarsnota 2014 is daarom een extra behoedzaamheidsmarge ter grootte van € 1,5 mln gehanteerd, gelet op de onzekerheid over de (onder)uitputting van de rijksbegroting. De meicirculaire 2014 geeft geen aanleiding om de extra behoedzaamheidsmarge te handhaven. Deze valt vrij van de financiële ruimte. De reguliere behoedzaamheidsmarge van € 1,5 mln blijft gehandhaafd.

Ad 3. opcenten Motorrijtuigenbelasting (€ 3,0 mln voordeel)

In het kader van behoedzaam ramen wordt bij het opstellen van de begroting bij de opcenten Motorrijtuigenbelasting rekening gehouden met een behoedzaamheidsmarge van 1%. Voor 2014 is sprake van twee ontwikkelingen die bij het opstellen van de begroting nog niet geheel gekwantificeerd konden worden. Dit betrof de vervallen vrijstelling van energiezuinige auto’s en de (gedeeltelijk) vervallen vrijstelling voor oldtimers.

De ontvangen informatie van de Belastingdienst over de ontwikkeling van het wagenpark en de werkelijke ontvangsten tot en met juli 2014 geven aan dat voor 2014 de behoedzaamheidsmarge van 1% niet nodig is. Dit betekent een voordelig verschil van € 3,0 mln.

Ad 4. Overige autonome bijstellingen (€ 1,9 mln voordeel)

Er is sprake van een voordelig verschil dat is veroorzaakt door de volgende bijstellingen. Voor een toelichting wordt verwezen naar de desbetreffende onderdelen van deze Najaarsnota.

 

Autonome bijstellingen (bedragen x € 1 mln)

Bedrag

Toelichting bij

1

Precario/leges

0,6

doel 6.1

2

Deskundig geordende ruimte met kwaliteit

0,5

doel 3.1

3

Vrijval stelpost transitie subsidies

0,2

doel 6.1

4

Verkoop provinciale eigendommen (OGZ)

0,2

doel 6.1

5

Frictiekosten OvT/PNS

0,1

Paragraaf Bedrijfsvoering

6

Afkoopsom onderhoud fietsbrug N209/Bentwoud

0,1

doel 6.1

7

Overige kleine posten

0,2

doel 4.3

 

Totaal

1,9

 

Programmareserves

Binnen de programmareserves wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende onderwerpen. Het totaal aan gereserveerde middelen in deze programmareserves neemt per saldo af met - € 8,2 mln. Hieronder volgt een overzicht op onderwerp van de belangrijkste mutaties, groter dan € 1,0 mln.

Een - in de kolom onttrekking uit reserve betekent dat de geraamde onttrekking aan de reserve wordt verlaagd. Een + in de kolom onttrekking uit de reserve wil zeggen dat er meer aan de reserve wordt onttrokken dan geraamd.

Programma­reserve

Onderwerp

Doelnr.

Onttrekking uit reserve

Storting in reserve

Saldo mutaties

1

Groen en Water

Groene ambities

1.3

-1,5

2,8

4,3

1.4

-4,8

0

4,8

1.5

0

1,8

1,8

Groene subsidies

1.4

-3,0

0

3,0

Decentralisatie­akkoord natuur

1.3

-4,2

0

4,2

1.4

5,8

0

-5,8

1.5

-2,3

6,1

8,4

2

Mobiliteit en Milieu

Fietsprojecten

2.2

4,0**

0

-4,0

Reservering Integrale Bereikbaarheid

2.1

0,2

0

-0,2

2.2

45,4*

0

-45,4

-3,7

0,8

4,5

0

4,0**

4,0

COA P&R Knooppunten

2.2

0,3*

0

-0,3

RijnGouwelijn

2.2

-4,3

0

4,3

Impuls openbaar vervoer

2.2

29,8*

0

-29,8

Impuls openbaar vervoer

Egalisatiereserve kapitaallasten Kaderbesluit

Infra 2014

2.3

-7,4***

0

7,4

2.1

3,2

0

-3,2

Egalisatiereserve kapitaallasten Kaderbesluit

Infra 2014

Project duurzame ontwikkeling Zuidplaspolder

2.2

72,0

77,3

5,3

3.1

0

15,7

15,7

3

Ruimte, Wonen en Economie

Meerjarenplan bodemsanering

2010-2014

3.3

-10,4

-0,4

10,0

Overcommittering

OP West

3.4

1,0

0

-1,0

Economische agenda Zuidvleugel

3.4

0

3,5

3,5

4

Integrale Ruimtelijke Projecten

Restauratie rijksmonumenten en erfgoed

4.5

1,6

0

-1,6

6

Middelen

Diverse doorgeschoven prestaties 2014

6.1

0

1,6

1,6

 

Overige mutaties < € 1 mln

Diverse onderwerpen

div.

-0,2

0,1

0,3

 

Totaal

   

121,5

113,3

-8,2

Bedragen x € 1 mln

+ = toename geraamde stand reserve; - = afname geraamde stand reserve* Technische mutatie: In het Kaderbesluit Infrastructuur 2014 is besloten om € 75,5 mln in te zetten om het investeringsniveau te verlagen, zodat de toekomstige kapitaallasten structureel afnemen.

** Dit betreft een technische mutatie van € 4 mln vanuit de reserve fietsprojecten naar Reservering Integrale Bereikbaarheid.

*** Dit is een technische verwerking van het Kaderbesluit Infrastructuur 2014. De huidige onttrekking uit de programmareserve is niet meer nodig daar de dekking is gevonden binnen het bestedingsplan BDU.

 

Bij deze Najaarsnota zijn geen nieuwe programmareserves ingesteld. Het aantal onderwerpen binnen de bestaande programmareserves waarvoor middelen wordt gereserveerd, is wel uitgebreid met acht. Het betreft:

Programma

Nieuwe onderwerpen binnen de programmareserves

(bedragen x € 1 mln)

Vermindering

Vermeerdering

Mutaties stortingen

2

Egalisatiereserve kapitaallasten Kaderbesluit Infra 2014

75,5

77,6

2,1

3

Project duurzame ontwikkeling Zuidplaspolder

Programma Warmte en koude Zuid-Holland

0

15,7

0,1

15,7

0,1

6

Doorgeschoven prestatie 2014: Inzicht en benchmarking

0

0,4

0,4

 

Doorgeschoven prestatie 2014: Bestuurlijke samenwerking

0

0,1

0,1

 

Doorgeschoven prestatie 2014: Brandveiligheid depot archeologie

0

0,1

0,1

 

Doorgeschoven prestatie 2014: Verbetering procedure/financieel inzicht mobiliteit

0

0,4

0,4

 

Doorgeschoven prestatie 2014: Clusterregeling Zuid-Holland

0

0,6

0,6

 

Toelichting nieuwe onderwerpen binnen de bestaande programmareserves

Egalisatiereserve kapitaallasten Kaderbesluit Infra 2014

Met de vaststelling door Provinciale Staten van het Kaderbesluit infrastructuur 2014 (juni 2014, PS nr. 6701) is een pakket aan maatregelen bekrachtigd dat er toe leidt dat de toekomstige kapitaallasten en de kosten voor beheer en onderhoud van de infrastructuur beheersbaar blijven. Vanwege de omvang van de maatregelen in dit specifieke kaderbesluit wordt deze reserve gebruikt om de inzet van deze maatregelen en het resultaat daarvan te kunnen monitoren. De looptijd is tot en met 2044.

Project duurzame ontwikkeling Zuidplaspolder

Betreft de inzet van de Nota Ruimte-middelen ten behoeve van het Project duurzame ontwikkeling Zuidplaspolder. De looptijd is tot en met 2020.

Programma Warmte en koude Zuid-Holland

Uitvoering van het werkplan van programmabureau Warmte en koude Zuid-Holland (23 deelnemende partijen): ambitie om voor het jaar 2020 duurzame warmte en restwarmte te leveren binnen de stedelijke en aangrenzende glastuinbouwgebieden van de Zuidvleugel. De looptijd is tot en met 2016.

Doorgeschoven prestatie 2014: Inzicht en benchmarking

Provinciale Staten en Gedeputeerde Staten streven naar verbetering van de inzichtelijkheid van de organisatie en haar prestaties. Ook hier blijkt dat de bestaande capaciteit (mede als gevolg van de lopende reorganisatie, waarbij er weinig tot geen ruimte is voor nieuwe en/of extra mensen) onvoldoende is om de ambities waar te maken. Op onderdelen is tijdelijk externe hulp nodig. De looptijd is tot en met 2015.

Doorgeschoven prestatie 2014: Bestuurlijke samenwerking

De middelen zijn bedoeld om extra bestuurlijke bijeenkomsten met verschillende regio's over de bestuurlijke samenwerking/inrichting te organiseren (vanwege de lange voorbereidingstijd schuift een aantal congressen door naar 2015).

Doorgeschoven prestatie 2014: Brandveiligheid depot archeologie

Op basis van de wet op de Archeologische monumentenzorg (Wamz) zijn provincies verantwoordelijk voor de deponering van archeologisch vondstmateriaal. De wet schrijft voor dat provincies hiertoe een depot houden. De middelen zijn bedoeld voor verbetering van de brandveiligheid door middel van de installatie van een brandblussysteem. De looptijd is tot en met 2015.

Doorgeschoven prestatie 2014: Verbetering procedure/financieel inzicht mobiliteit

Tijdelijk extra capaciteit voor organisatieverbetering naar aanleiding van de Nota kapitaal en beheerlasten: intern wordt hard aan de verbeteringen gewerkt, maar met de huidige capaciteit (kwantitatief, maar ook kwalitatief) gaat het (te) lang duren. De looptijd is tot en met 2015.

Doorgeschoven prestatie 2014: Clusterregeling Zuid-Holland

Het kasritme voor de subsidieverleningen van de subsidieregeling Clusterprojecten Zuid-Holland is verschoven. Een deel van de activiteiten bij de subsidieontvangers vindt pas plaats in 2015.

Regeling Individueel Keuzebudget Provincies (IKB) (€ 3,6 mln)

Bij de onderhandelingen rondom de afgelopen cao hebben partijen afgesproken de flexibilisering van de vergoedingen nader te onderzoeken. Het eindresultaat is de regeling Individueel Keuzebudget Provincies, die per 1 januari 2015 wordt ingevoerd.

In het IKB worden de eindejaarsuitkering (8,3%), de vakantie-uitkering (8%) en het bovenwettelijk vakantieverlof (36 uur per jaar voor voltijdwerkers), uitgedrukt in geld, aan het IKB toegevoegd. Dat is een bedrag van bijna 2% van het salaris. Wie dat wil kan die verlofuren terugkopen. Ten slotte wordt nog de resterende besparing uit de vervallen seniorenregeling in het IKB gestort (0,2% per 1 januari 2015, oplopend tot 0,3% vanaf 2016). Het IKB wordt maandelijks opgebouwd.

De werknemer kan zelf bepalen waaraan hij of zij het IKB besteedt. Hij of zij kan echter niet meer uit het IKB opnemen dan op dat moment is opgebouwd. Het IKB moet om fiscale redenen in hetzelfde kalenderjaar zijn besteed. De bestaande IKAP-regeling wordt in het IKB opgenomen: het IKB kan dus ook worden gebruikt voor fiscaal aantrekkelijke doelen. De mogelijkheden om meer en minder te gaan werken worden verruimd. Gekochte verlofuren kunnen straks vijf jaar worden opgespaard.

Bij de begroting van 2014 werd ervan uitgegaan dat de uitbetaling van de in 2014 opgebouwde vakantie-uitkering over juni-december 2014 in december 2014 zou plaatsvinden. Derhalve is in de Begroting 2014 een incidenteel budget van € 3,6 mln opgenomen. Deze exploitatiemiddelen worden nu omgezet in een voorziening, waarmee ze beschikbaar blijven voor het uitbetalen van de opgebouwde vakantie-uitkering 2014 in 2015. Dit heeft verder geen gevolgen voor het begrotingssaldo.

Verwerking inzet reserves conform Kaderbesluit Infrastructuur 2014

In het Kaderbesluit infrastructuur worden reserves uit programma 2 (€ 75,5 mln) ingezet om de toekomstige kapitaallasten te verminderen. Dit is verwerkt in de Najaarsnota 2014 teneinde het proces van omwisseling van investeringsmiddelen naar exploitatiemiddelen te versnellen. Uit de exploitatiemiddelen kunnen de uitgaven voor projecten in een keer worden gedekt, waardoor op deze projecten niet meerjarig hoeft te worden afgeschreven. De totale kapitaallasten worden daardoor structureel met € 5,0 mln verlaagd. Deze jaarlijks bespaarde kapitaallasten worden vanaf 2015 ingezet om het jaarlijkse exploitatiebudget beheer en onderhoud structureel met gemiddeld € 5,0 mln te verhogen en het jaarlijkse investeringsbudget structureel met € 5,0 mln te verlagen. Dit beantwoordt aan het doel van het Kaderbesluit infrastructuur en leidt tot een verdere afname van de toekomstige kapitaallasten.